Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 79

3 minuten leestijd

LOUIS PASTEUR

55

deeg wordt tot brood. Deze processen, die men gisting, fermentatie noemt, werden destijds ijverig bestudeerd, maar waren nog geheel onvoldoende begrepen. De bekende Duitse onderzoeker Licbig had er een theorie over. Eiwit' zou zich met zuurstof uit de lucht verbinden en zou in een proces van omzetting geraken en ook andere stoffen, zoals suiker, aanzetten. Pasteur geloofde niet aan deze verklaring. Microscopisch onderzoek van gistende vloeistoffen bracht hem de aanwezigheid aan het licht van ovale vormsels, die zich vermeerderden; blijkbaar plantaardige eencellige wezens, en in deze gistcellen zocht hij de oorzaak der gisting. In zuur geworden melk vond hij staafvormige elementen, bacillen, die hij voor het proces aansprakelijk stelde. De gisting was volgens hem dus een proces, dat door levende wezens in gang wordt gezet. Het heeft hem grote moeite en jarenlange arbeid gekost om deze opvatting in de wetenschappelijke wereld erkenning te doen vinden: Liebig heeft tot aan zijn dood toe, tegen Pasteur in, volgehouden, dat levende cellen hieraan geen deel hadden, dat de gistcellen hoogstens ontstaan bij de gisting, maar er niet de oorzaak van zijn. De vraag, waar die gistcellen, levende organismen, dan telkens vandaan kwamen, lag voor de hand. En zo kwam hij bij deze moeiname onderzoekingen als vanzelf in aanraking met een vraag, die reeds eeuwenlang de geesten had beziggehouden en ook een wereldbeschouwelijke achtergrond heeft. Het is de vraag naar het ontstaan van het leven in zijn eenvoudigste vorm, een deel dus van de levende natuur, waarvan Genesis ons leert, dat God het als afzonderlijke orde in de werkelijkheid geschapen heeft. Dit was echter geen natuurwetenschappelijke verklaring van allerlei opmerkelijke verschijnselen, die men waarnam. De levende organismen der gistcellen, die Pasteur vond, moesten toch evengoed ergens vandaan komen, als de maden, die men nu al duizenden jaren zich in rottend vlees had zien ontwikkelen, en die men met het blote oog kon waarnemen. Men was lang te voren tot de overtuiging gekomen, dat deze uit de rottende, dode organische materie als vanzelf ontstaan. Men sprak van een spontane generatie, generatio spontanea. Zij hield dus in, dat uit dode organische, of ook wel anorganische materie levende wezens kunnen ontstaan, en velen namen aan, dat zo ook oorspronkelijk het leven op onze aarde moest zijn ontstaan. Ten tijde van Pasteur's onderzoekingen stond deze leer van de generatio spontanea, ook wel abiogenese of heterogenese genoemd, in het brandpunt der belangstelling, omdat er zich toch telkens stemmen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 79

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's