1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 67
HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN OP AARDE
47
zelfde wereldbeschouwing, stonden op het punt van zelfwording lijnrecht tegenover elkaar. Doch in de 19de eeuw kwam er verandering. D. Htnzinga en A. Fokker waren het materialisme toegedaan, terwijl de laatstgenoemde door zijn biograaf tevens als anti-godsdienstig wordt bestempeld. Pasteur was daarentegen godsdienstig van aard, o.m. blijkens de uitspraak: „La notion et Ie respect de Dieu arrivent a mon esprit par de voies aussi süres que les vérités de l'ordre physique". De vraag zij dus herhaald: Is er dan tóch verband met de wereldbeschouwing? Ik zou zeggen: Dat is niet noodzakelijk het geval. Immers de Scheppingsdaad zou zich tot de gehele stoffelijke natuur uitgestrekt kunnen hebben, dus ook tot de geleidelijke ontwikkeling der soorten en zelfs tot het ontstaan van het leven uit levenloze stof, m.a.w. tot generatio spontanea. Doch het gaat niet om de vwgelijkheid, noch om de wijze, waarop men zich de een of andere gang van zaken kan voorstellen. Het gaat in de eerste plaats om de feiten en gegevens. Welnu, daaruit blijkt een scherpe grenslijn, een kloof tussen stof zonder meer en levende wezens. En ook door de vira wordt deze kloof niet overbrugd. Dit leidt tot de slotsom, dat zelfwording niet aanvaardbaar is. Abstract beschouwd, dus alleen op theoretische gronden, hangt het antwoord af van de gegevens van het onderzoek. Doch praktisch, in de concrete omstandigheden, is het tóch een wereldbeschouwelijk vraagstuk. Voor menige voorstander van de evolutie-gedachte voor alle levende wezens uit „allereenvoudigste" stamvormen of uit één stamvorm is zelfwording een postulaat. Aldus zegt het zijdelings W. 7Jmmermann in zijn onlangs verschenen boek: „Evolution", dat zelfwording alleen te loochenen valt, indien de soorten, de levende wezens altijd hebben bestaan, „ewig" zijn. Ik kom tot het einde van mijn betoog. Reeds Aristoteles was de overtuiging toegedaan, dat het leven oorspronkelijk van buiten af („thuratèn") gekomen was en niet aan de stof zelf was te danken. Tot een gelijke conclusie kwam G. van, Rijnberk in een rede uit het jaar 1943, ook met een verwijzing naar de Griekse Oudheid. Het ontstaan van het leven stelt ons voor een alternatief: Het is onoplosbaar óf wij moeten terug naar de grote grondleggers. Hij haalt daarbij het woord aan van Anaxagoras: „Panta diekosmèse Nous". Het leven is toe te schrijven aan een zelfstandig buitenstoffelijk beginsel; voor van Rijnberk is dat een geloofskwestie,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's