Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 184

2 minuten leestijd

ETHISCH-RELIGIEUS ASPECT DER KUNSTMATIGE INSEMINATIE *) door G. BRILLENBURG WURTH

Er is mij verzocht hier het ethiseh-religieuse aspect van het probleem der kunstmatige inseminatie bij de mens voor U te willen inleiden. Met het oog op de tijd kan ik slechts beknopt enkele hoofdzaken aanduiden. Het gesprek over de kunstmatige inseminatie begint al meer op gang te komen. Gelijk dat meer bij zulke vraagstukken het geval is, gaat men, nadat eerst een spontane afwijzing heeft plaats gegrepen, daarna toch van bepaalde zijde zich afvragen, of die afwijzing wel verantwoord is en of althans in specifieke gevallen de kunstmatige inseminatie niet als een noodoplossing kan worden aanvaard. Tegen deze bezinning op zichzelf kunnen wij geen bezwaar hebben. Een intuïtief „neen" zeggen kan in sommige gevallen als onmiddellijke gewetensreactie van betekenis zijn; er zijn bepaalde dingen, waar eigenlijk zelfs maar niet al te lang over geredeneerd moet worden. Maar daar staat toch tegenover: „bij geweten moet altijd weten komen" (Geesink). En mee ook om de schijn van bekrompenheid te voorkomen is het goed, dat wij van onze afwijzende houding op dit punt ons duidelijk rekenschap geven vanuit overtuigingen, die inderdaad als bijbels gefundeerd mogen gelden. Het is ons niet bekend of van positief-christelijke kant de eigenlijke kunstmatige inseminatie, met inschakeling van een donor (de heterologe dus), reeds officiële verdediging gevonden heeft. Waar men er, meestal vanuit niet-christelijke kring, wèl voor heeft gepleit, heeft men zijn uitgangspunt, voor de hand liggend, bijna altijd genomen in het leed van het kinderloze huwelijk, positief uitgedrukt in het verlangen, dat nu eenmaal althans de rechtgeaarde vrouw eigen is, naar het kind. Daarbij denken sommigen zelfs zowel aan de gehuwde als aan de ongehuwde vrouw. *) Voordracht gehouden in de gecombinee; de vergadering der Christelijke Vereniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland (Medische Sectie) en de Calvinistische Juristenvereniging op 11 februari 1956 in Hotel des Pays Bas te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 184

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's