Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 83

2 minuten leestijd

LOUIS PASTEUR

59

Pasteur echter niet ongestraft. Tijdens zijn werkzaamheden in het Zuiden voor de zijdewormziekte, werd hij, nog geen 46 jaar oud, getroffen door een beroerte, die zijn linker lichaamshelft verlamde en zijn spraak bemoeilijkte. Pasteur meende aanvankelijk te zullen sterven en dacht met weemoed aan alles, wat hij nog had kunnen doen, maar gelukkig gingen de meest alarmerende verschijnselen weer spoedig terug — 8 dagen er laa dicteerde hij alweer een artikeltje over de zijderupsziekte. Maar gedurende zijn gehele latere leven bleef zijn gang wat moeilijk en slepend. Intussen was in Frankrijk ook op een ander gebied de toestand verre van rooskleurig. De boeren hadden het zwaar. De veestapel werd geteisterd door een snel dodelijk verlopende ziekte, miltvuur, anthrax. Jaarlijks stierven er ongeveer 50.000 dieren aan. Over de vermoedelijke oorzaak wist men wel al iets. Reeds in 1850 had Davaine in het bloed van aan miltvuur gestorven dieren talrijke microscopisch kleine staafjes aangetroffen. Maar zijn bewering, dat dit de verwekkers der ziekte waren, was nog niet algemeen aanvaard. Pasteur liet nu deze staafjesbacterieën zich vermeerderen in neutrale urine, hij kweekte ze dus, maakte er cultures van, en wist zo deze microben in grote hoeveelheden te verkrijgen en ten slotte te isoleren. Door proeven op dieren toonde hij aan, dat ze de verwekkers der ziekte waren. Zo ging hij ook een ziekte onder het pluimvee bestuderen, de kippencholera. De microben, die hierbij in het spel zijn, waren juist ontdekt. Hij kweekte ze verder op kippenbouillon, en kon hiermede de kippen dodelijk infecteren. Een toeval, maar door zijn genie op zijn betekenis geschat, bracht hem op een groot idee, welke later van onmetelijke waarde bleek te zijn voor de menselijke geneeskunde. Op een keer was hij een paar dagen met vacantie geweest, en spoot met de, enige tijd oude, cultures gezonde kippen in. Ze werden misschien een beetje ziek, maar gingen niet dood. Aanvankelijk wilde hij na deze tegenslag er mee ophouden en alles opnieuw opzetten. Toen kreeg hij opeens het idee, diezelfde kippen, die niet dood hadden willen gaan na inspuiting met die oude, vermoedelijk verzwakte, cultures, in te spuiten met verse cultures — en ziet, er gebeurde niets, terwijl andere, niet tevoren behandelde kippen, vlot de cholera kregen en dood gingen. De kippen, mgespoten met de oude, verzwakte bacillen, waren onvatbaar geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 83

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's