Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 244

2 minuten leestijd

ll^ondhlik PARTHENOGENESE BIJ DE MENS? Dat een vrouw ooit zwanger zou kunnen worden — ik zeg niet zonder geslachtsgemeenschap, maar zonder dat een mannelijke zaadcel een eicel van haar zou hebben bereikt — geldt of liever gold tot voor kort voor de moderne wetenschap als een onbestaanbaar en ondenkbaar iets, waarover geen discussie mogelijk is. Het is nu merkwaardig, dat het vraagstuk van de parthenogenese bij zoogdieren en ook bij den mens onlangs toch ter discussie is gebracht door dr. Helen Spurway, lecturer in de biometrie en eugenetica aan het University College te Londen, en wel in een voordracht met den de aandacht trekkenden titel: Virgin Births ^). Terwijl parthenogenese bij lagere dieren meer is waargenomen, is ze bij vertebraten uitermate zeldzaam. Helen Spurway had nu bij de kleine, levendbarende, vis, Lebister reticulatus, wijfjes dadelijk na de geboorte in afzondering gesteld, doch haar soms het aanzijn zien geven aan een nageslacht, dat in de overgrote meerderheid vrouwelijk was: op 92 van deze vaderloze visjes kwam slechts 1 mannetje en 1 intersex voor. Spurway sluit in deze gevallen, op eugenetische gronden, en met het oog op de abnormale sexe-verhouding, bevruchting in utero met vaderlijk sperma, uit, en ziet twee mogelijkheden: echte parthenogenese, en autofertilisatie bij een hermaphrodiet, die zowel sperma als eieren produceert. Ze meent, dat bij haar vissen beide ontstaanswijzen voorkomen. Zulk een Hermaphroditisme is bij vissen en amphibieën bekend, en schijnt ook wel eens bij vogels voor te komen. Parthenogenese, waarbij een eicel „vanzelf" begint te delen, is bij de avertebraten gewoon, maar zeldzaam bij warmbloedige vertebraten. Bij katten, fretten en onbevruchte eieren van kalkoenen is het waargenomen. Een levensvatbaar embryo ontstaat zo echter niet. Wel kan parthenogenetisch een gezonde, levende progenituur bij konijnen verkregen worden door afkoeling van de tubae Fallopii, en op deze wijze schijnen reeds vele vaderloze konijnen te zijn gekweekt, al mislukt de methode dikwijls ^). Helen Spurway meent, dat er biologisch voldoende aanleiding is om bij zoogdieren er op te letten, of geen parthenogenese voorkomt. Bij het kweken van laboratoriumdieren zouden gesegegreerde wijfjes soms zwanger worden, wat dan gewoonlijk verklaard wordt door „ontsnapping" of ,,copulatie door de tralies". Parthenogenese bij den mens nu wordt door Spurway niet bij voorbaat uitgesloten, doch zeker uitermate zelden geacht, bij voorbeeld de helft van de frequentie van het voorkomen van zeslingen, die ze stelt op 1 : 80^^ geboorten of minder. 1) 2)

Zie Editorial, Lancet 1955, II, 967. Pincus en Shapiro, Proc. Nat. Acad. Sci., Washington, 26, 163, 1939.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 244

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's