Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 57

2 minuten leestijd

DE ONTWIKKELINIG DER PHYTOPATHOLOGIE

41

Zouden wij de phytopathologie willen vergelijken met een rivier, dan komt nl. pas in die tijd openbaar waar haar bovenloop begint en waar zij te onderscheiden is van de zeer vele beken en beekjes, die tot haar ontstaan aanleiding gaven. In vroeger eeuwen vindt men de bouwstenen voor de phytopathologie nl. bij vertegenwoordigers van allerlei wetenschappen en als regel in de vorm van meer of minder accurate beschrijvingen, lange tijd vergezeld van speculaties, waarin goden en sterrenstelsels vaak een grote rol spelen. Kennen we de pure vermelding van plantenziekten reeds uit de Bijbel, de eigenlijke beschrijvingen stammen uit de Griekse tijd, waarbij we natuurlijk bij Aristoteles (384—322 v. Chr.) terecht komen en vooral bij diens leerling, de beroemde botanicus Thenphrastus van Erese (370—287 v. Chr.). De toenmaals belangrijkste cultuurplanten : granen, wijnstok, olijf en vijg spelen in hun beschouwingen de grootste rol. In de Romeinse tijd vergt vooral Plinius Secundus (23—79 n. Chr.) onze aandacht voor zijn Historia Naturalis. Bij deze encyclopaedist kunnen we terecht voor feiten en speculaties, voor praktische raadgevingen en voor beschouwingen over de invloed der sterren en de verering van speciale goden. Voor een groot deel had Plinius zijn gegevens van Romeinse landbouwkundige schrijvers als Marcus Cato, Terentiijs Varra, Palladius en Junius Moderatus Columella, wier werken later in 1536 gezamenlijk werden viitgegeven. De graanroest speelt in al deze beschouwingen wel een hoofdrol, evenals de godheden Robigus en Robigo en de aan hen op 25 april gewijde feesten: de Robigaliën. De legende uit die tijd wijt het optreden van graanroest aan een straf der goden, voor het roosteren van een vos door een kleine jongen, die de vos strafte voor het roven van kippen. De straf der goden, de roest, had dezelfde kleur als de vos en kon slechts afgewend worden door feesten ter ere van Robigus en Robigo. Eeuwen lang heeft de wereld het moeten doen met deze gegevens van Plinius: een mengsel van feiten en bijgeloof, geheel gespeend aan enig besef van de oorzaak der ziekten, terwijl de raadgevingen voor de bestrijding naar rato waren. Als enig lichtpunt, tot het einde der Middeleeuwen toe, valt te vermelden het werk van Ibn-al-Awam (10e eeuw) in Spanje, doch in de latere Middeleeuwen was de hernieuwde interesse voor de GrieksRomeinse literatuur oorzaak, dat Theoplirastus en Plinius onbetwist meester bleven van het wetenschappelijk terrein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's

1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 57

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's