1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 323
266
JOH. BLOK
neer schadelijke invloeden onwaarschijnlijk lijken. In een klein, dicht bevolkt land als het onze, dat geen grote onbewoonde gebieden heeft, waar men veilig een grote hoeveelheid radioactief materiaal zou kunnen deponeren, is uiteraard een extra grote voorzichtigheid geboden. Van het begin af aan zal met de volksgezondheid in de plannen rekening gehouden moeten worden. Als men nu het gevaar van de kernenergie wil terugbrengen tot een klein risico, minstens even aanvaardbaar als het risico van andere technische hulpmiddelen, moet in de allereerste plaats op basis van de huidige kennis het gevolg van kleine stralingsdoses zo goed mogelijk geschat worden. Het is de bedoeling van dit artikel enkele van de factoren, waarmee hierbij rekening gehouden moet worden, samen te vatten. Reeds binnen een jaar nadat Röntgen (in 1895) de naar hem genoemde straling ontdekt had, werd bij één van de onderzoekers die experimenteerden met de nieuwe straling een huidontsteking aan de handen waargenomen die aan bestraling moest worden toegeschreven. Gedurende de daarop volgende tien jaren bleek dat praktisch ieder orgaan van het menselijk lichaam door röntgenstraling beschadigd kon worden. Enige van de waargenomen effecten zijn; huidontsteking, haaruitval, vermindering van het aantal witte bloedcellen, bloedarmoede, vertroebeling van de ooglens, leukemie (woekering van de cellen die de witte bloedlichaampjes bereiden) en kwaadaardige gezwellen. Deze verschijnselen traden eerst op bij onderzoekers die met Röntgenstraling werkten, later ook bij patiënten die voor allerlei aandoeningen met röntgenstraling behandeld waren. Reeds spoedig ontstond dan ook behoefte aan de vaststelling van een ,,maximaal toelaatbare stralingsdosis". Het was echter vanwege de nog geringe ervaring en het gebrek aan goede meetapparatuur niet gemakkelijk een dergelijke grens vast te stellen. Aanvankelijk meende men dat de organen van het menselijk lichaam een dosis van 60 röntgen ") per week konden verdragen. Al spoedig bleek het nodig deze grens te verlagen. Omstreeks 1930, toen men enige ervaring opgedaan had over de lange latentietijd die sommige van de geinduceerde verschijnselen konden hebben, werd een dosis van ruim 1 r per week als toelaatbaar maximum beschouwd. *) Het zou te ver voeren nader op deze eenheid in te gaan. Voor een juist begrip is het voldoende te vermelden dat de röntgen (afkorting r) een eenheid is die berust op de in lucht gemeten ionisatie. Indien zacht weefsel aan een stralingsdosis van 1 röntgen wordt blootgesteld, wordt per gram weefsel een energie van ongeveer 100 erg uit de straling opgenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's