1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 60
44
K. HARTSUIJKER
Pflanzen", verschenen in 1833. Zonder ook maar de geringste experimentele basis worden hier de oude theorieën weer in een nieuw kleed gestoken; de schimmels, die in en op de zieke plant worden geconstateerd, zijn wel zelfstandige eenheden, met eigen naam, maar ontstaan in die zieke plant („uitzwetingen"), het zijn „entophyten", ontstaan als gevolg van een interne desorganisatie der normale levensprocessen als voeding, wateropname e.d. en onder invloed van abnormale uitwendige omstandigheden als b.v. het weer. De theorieën van Unger vindt men in die tijd eveneens terug in het werk van Wiegmann (1839) en van Meyen (1841). Merkwaardig is dat verschillende van de hier genoemde figuren van huis uit medicus zijn, met sterke botanische interesse, en hun verder leven slijten als hoogleraar in de plantenphysiologie. Het is dus niet verwonderlijk, dat ze alles bekijken vanuit het gezichtspunt van een verstoord evenwicht in de physiologische processen, onder invloed van allerlei uit- en inwendige factoren. Ook bij Meyen's vriend, de mycoloog Nees von Esenbeck, die na Meyen's dood de uitgave van diens werken verzorgt, vinden we deze gedachten terug. Zo gaat eigenlijk de eerste helft van de 19e eeuw voorbij zonder dat fundamenteel gebroken wordt met de oude opvattingen: de theorie van het autogenetisch ontstaan van plantenziekten blijft opgeld doen. Zonder dat deze mythe gebroken wordt is er echter geen kans op vooruitgang. Het is als het ware net als met de spontane generatie. Hier was een geniale en revolutionaire daad als van Pasteur nodig om verandering te brengen. Ook op phytopathologisch gebied werd een groot man verwacht, die veel invloed zou hebben en alle oude theorieën als met één streek zou wegvagen in de sfeer der antiquiteiten. Het zit in die tijd natuurlijk in de lucht dat zoiets gaat komen. Ondanks Unger zijn vele systematici onder de mycologen al veel verder gekomen. Memoreren wij hier b.v. het werk van Persoon, die reeds in 1801 een boek geeft over de classificatie der fungi, die rustig de roestzwammen beschrijft als een aparte familie: de Uredineeën, en die de binaire nomenclatuur ook op mycologisch gebied consequent toepast. Ook de naam van de Zweedse mycoloog Fries moet hier genoemd worden. Léveillé (Frankrijk) onderscheidt reeds de twee grote groepen: Basidiomyceten en Ascomyceten. De Zwitser de Candolle beschrijft een aantal roesten als aparte soorten (1807, 1815). Het is ook zeer vermeldenswaard dat in 1839 de Tschech Corda het indringen van de kiembuis van de schimmel via de stomata voor het eerst beschrijft en zodoende aantoont dat het inwendig mycelium een deel van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's