1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 88
68
J. BLOK
Aristoteles en Thomas van Aquino tot ons gekomen is, een gedachtengang die te weinig de nadruk legt op de eenheid van de geschapen individuen. Merkwaardig is ook dat deze indeling doorbroken wordt door één element dat er niet in past: nl. de schepping van de zielen. Calvijn e.a. nemen aan dat het wordingsproces uit materie en vorm voor alles geldt, ook voor de lichamen van dier en mens, maar dat daarentegen de zielen steeds geschapen worden i8). 2o is blijkbaar ook in deze beschouwing de schepping nog niet geheel voltooid. De consequenties van deze indeling zijn m.i. zeer ernstig. Door alles wat na het „in den beginne" is geschied de naam schepping te ontzeggen en door wat er geschiedt als „vormgeving of ordening" te beschouwen, baant men de weg voor opvattingen waarin een kosmos, die op één of andere wijze ontstaan is, zich zelf ontwikkelde. Door op deze wijze het begrip schepping te verengen tot het proces waarbij materie ontstaat, maken we de baan vrij voor beschouwingen waarin een feitelijk autonoom evolutieproces optreedt. Het is dan ook wel typerend dat Warfield i^) in een beschouwing over Calvijn s leer van de schepping tot de, ongetwijfeld sterk overdreven, conclusie komt dat Calvijn, al had hij geen theorie over evolutie, toch een evolutieleer gegeven heeft. Ook in verband met deze tegenstelling kunnen we beter de nadruk leggen op de eenheid van Gods werk. We snijden dan radicaal alle idee af van een zelfstandig zich ontwikkelende kosmos, evenals de gedachte aan een stationaire kosmos zonder ontwikkeling. In plaats daarvan zien we dan hoe God zijn plan met deze kosmos realiseert door de mogelijkheden, die hij in het geschapene gelegd heeft, daaruit voor de dag te laten komen. Wanneer we deze opvatting toepassen op de gevallen op fysisch gebied die we noemden, dan zien we dat er ruimte is voor het optreden van nieuwe soorten en nieuwe individuen. Het maken van elementen en van deeltjes die niet op aarde bestaan en het kunstmatig maken van kernen en deeltjes die wel bekend waren, betekent dan geen conflict met de gedachte van schepping; het kan daarentegen opgevat worden als een realisatie van een mogelijkheid die God zelf in het geschapene gelegd heeft en die nu met medewerking van de mens verwerkelijkt wordt. De rol van de mens is hierbij duidelijk. De bijbelse visie op de mens geeft wel enerzijds aan dat hij een beperkt en nietig wezen is, geheel afhankelijk van God, maar anderzijds ontving hij de opdracht de aarde te bebouwen en te beheersen. Zo kan dan ook gezegd worden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's