1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 59
DE ONTWIKKELING DER PHYTOPATHOLOGIE
43
publiceert, is in dat opzicht baanbrekend, maar blijft helaas lang onbekend. Ook Fabricius' werk (1774), waarin dezelfde ideeën naar voren komen, maakt niet de gewenste indruk. Want de man die de meeste invloed heeft is Johann Baptista Zallinger met zijn boek : „De morbis plantarum", dat in 1773 eerst in het Latijn en reeds in 1779 in Duitse vertaling verschijnt. Naast een merkwaardige indeling van de plantenziekten, geeft dit werk een sterke stimulans voor het voortbestaan van de oude ideeën, dat de parasitaire schimmels slechts producten zijn van de zieke plant, dus meer symptoom dan oorzaak. Zijn opvattingen over de etiologie der ziekten is ook sterk afgestemd op antieke theorieën, al wordt veel oud bijgeloof over boord geworpen. We mogen de 18e eeuw niet afsluiten, zonder te vermelden, dat in die tijd allerlei praktische bestrijdingsmethoden opkomen, vooral voor behandeling van kankers met wondafdekmiddelen. Daarnaast begint zich meer experimenteel werk af te tekenen, waaronder wel in het bijzonder genoemd moet worden de klassieke verhandeling van Mathieu Tillet over de steenbrand van de tarwe, in 1755 openbaar gemaakt als antwoord op een in 1750 door de academie van Bordeaux uitgeschreven prijsvraag. Wel heel dicht is Tillet genaderd tot het moderne inzicht over het ontstaan van de ziekten. Hij ziet in dat de verbreiding der ziekte plaats had door de brandsporen uit de korrels, mede omdat hij ook infectieproeven verricht, maar de conclusie dat de brandsporen een verschijningsvorm zijn van een apart organisme, is voor die tijd blijkbaar nog te moeilijk, Even blijvend bij het beeld van de phytopathologie als rivier, kunnen we opmerken, dat er wat tekening komt in de loop hiervan. Alleen is het water nogal troebel. Heel wat uit oude tijden meegebracht erosie-materiaal moet nog bezinken. Er zijn enkele verheugende symptomen van nieuwe inzichten, mede door experimenteel werk gewekt, maar het doorbreken van de nieuwe opvattingen wordt verhinderd door een dominerende figuur als Zallinger, die nog niet van de antieke wereld kan loskomen. Merkwaardigerwijze zetten deze opvattingen zich nog een tijdlang voort ook in de 19e eeuw. Ondanks enkele goede verhandelingen, als die van Benedict Prévost (1807) over de steenbrand van tarwe, waarin hij proeven met sporen vermeldt, hun kieming beschrijft en de fungicide werking van koper ontdekt, blijft Zallinger's invloed bestaan. Haar hoogtepunt en tegelijk vrijwel haar eindpunt bereiken deze antieke opvattingen in het boek van Unger „Die Exantheme der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's