1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 148
DE EERSTE MENS
121
principieel verschil tussen mens en dier te maken is i). Als wij nu met biologen en archaeologen gaan spreken in de poort, zal het in Genesis geschetste mensbeeld beslissend aan de orde moeten worden gesteld. Zelfs zal bij het licht der Schrift Mesopotamië, althans het Midden-Oosten, als de bakermat der mensheid moeten worden genoemd. Mochten daar belangrijke aanwijzingen gevonden worden voor de eerste mensheid, dan zullen alle vroeger te dateren vondsten van mensvormige wezens niet als homines, maar als prae-lapsarische antropoïden moeten worden beschouwd. Het is namelijk toch wel aan gerechte twijfel onderhevig, of na het duidelijk beeld, dat de Schrift geeft van de eerste mens, wezens, die anatomisch en physiologisch wel duidelijke overeenkomsten met de huidige mens vertonen, maar die alleen maar stenen messen en bijtels kunnen hakken, vuur kunnen maken, misschien een enkele tekening hebben gemaakt of een soort taal hebben gehad, reeds als volledige mensen te beschouwen zijn in Schriftuurlijke zin. Bovendien zouden deze „mensen" dan in ongeveer 400.000 jaar nauwelijks enige kulturele ontwikkeling hebben doorgemaakt, wat in verband met het Schriftverhaal toch weinig aannemelijk is. Al komt de Babylonische 10-koningenlijst ook tot een getal van 432.000 jaar. Als men nagaat wat reeds dieren presteren, hoe zij elkaar — en sommige ons — begrijpen en wat zij met het wonder van hun instinct tot stand brengen, dan doet het werk van deze oermensen zeker niet zoveel hogerstaand aan 2). Maar ook, al zou dit hoger staan, toch vertonen, voor zover nu bekend, deze „mensen" nog geen enkele trek van het mens-beeld van Genesis. Dat bepaalt het mens-zijn ! De mogelijkheid verdient dus overweging of Adam wellicht uit de homo sapiens-stam geschapen is. En dan zijn er toch wel enkele aanwijzigingen, die voor een vijfde hypothese, naast de vier van dr. Lever, zouden kunnen pleiten. Dat er vóór en tijdens Adam en Eva een soort menselijke wezens zou hebben geleefd, zegt de Schrift niet. Misschien zijn er enkele gegevens, die in deze richting kunnen wijzen, zoals de huwelijkspartners van Adams kinderen, de belagers van Kaïn na zijn broedermoord, misschien ook nog de „dochters der mensen", waarmee de „zonen Gods" huwelijksgemeenschap zochten, de „reuzen op aarde", de „geweldigen uit de voortijd" e.d. Dat de mens enige tijd na zijn val zich in een dierenpels ging kle1) Lever, I.e. p. 163. ") Zie b.v. R. Nachtweij: Het wonder van het instinct. Dr. J. A. Bierens de Haan: Ene. W.P., Dl 11, p. 272.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's