1957 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 157
130
A. L. JANSE DE JONGE
de eenheid van waarnemen en beweging aan het licht gebracht wordt. Het bleek hem steeds meer dat bij de bewegingsverschijnselen, die hij op neurophysiologische basis moest analyseren, het vraagstuk van de „zelfbeweging" vrijwel niet aan de orde was gekomen, hoewel dit vraagstuk toch een van de centrale momenten bij de beweging aangeeft. Ook hier moest dus weer het „subject" ingevoerd worden om te komen tot de eenheid van de akt in het bewegen Naast de anatomische en physiologische voorwaarde voor de beweging moest de subjectieve kern van de zelfbeweging aan de orde komen. Von Weizsacker was reeds jaren gebiologeerd door de spanning die er bestaat tussen de statische en de dynamische aspecten bij de levensverschijnselen. Deze verschijnselen krijgen immers een bepaalde vorm en gestalten. Maar deze „Gestalt" is steeds opgenomen in de tijd. De samenhang tussen de Gestalt en de tijd, die reeds door Ehrenberg aan de orde was gesteld, is door von Weizsacker nader onderzocht. Wanneer wij een voorwerp aftasten, dan ontstaan de vormindruk en vormbeweging gelijktijdig. Het blijkt dat de indruk de vorm van de beweging bepaalt en omgekeerd bepaalt de beweging de vorm van het tastbare. Uit deze overwegingen trekt von Weizsacker verreikende conclusies. De verbondenheid, de „relativiteit" tussen het organisme en de omgeving is een bepaaldheid, welke de eenzijdig gerichte causaliteit opheft. Datgene, wat in het leven plaats heeft, kan niet gezien worden als een proces, waarin phase na phase wetmatig elkaar opvolgt, maar het Icvensgebeuren moet gezien worden als een ontwikkeling van vormen die zich in de cohaerentie tussen organisme en omgeving voltrekt. Men mag niet uitgaan van het geïsoleerde organisme en ook niet van geïsoleerde omgeving. Slechts door de visie op de cohaerentie is het principieel mogelijk het levende van het dode te onderscheiden en ook de vitale beweging als zelfsbeweging op te vatten. Buytendijk, die in zijn werk „Algemene theorie der menselijke houding en beweging" hier dieper op ingaat, meent dat de toekomst zal moeten leren in hoeverre dit juist is, maar dat het in ieder geval als vooruitgang te begroeten is, dat de leer der levensverschijnselen, dus ook de bewegingsleer, zich principieel van het physisch denken emancipeert. Het is te begrijpen dat deze dynamische opvatting omtrent de beweging, zoals die verwoord wordt in het begrip Gestaltkreis, von Weiszsacker na aan het hart lag. Het is dan ook in dit verband merkwaardig te zien hoe in de nieuwere drukken van dit werk steeds meer antropologische problemen aan de dag komen. Tenslotte wordt de figuur van de „Gestaltkreis" voor hem symboo} voor de veel dieper
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 349 Pagina's