Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 284

2 minuten leestijd

232

L. VLIJM

details te behandelen, is het mogelijk dit begrip te doen leven door iets van de historische ontwikkeling ervan na te gaan. Het begrip biotoop wordt meestal in samenhang gebruikt met een ander begrip, dat van de biocoenose, de levensgemeenschap. Tezamen vormen zij twee grondbegrippen binnen de wetenschap der oekologie, de wetenschap die zich bezig houdt met de relaties tussen levende organismen (zowel planten als dieren) en het milieu waarin zij leven. Van deze beide begrippen is biocoenose het oudst. Het werd door de Duitse onderzoeker Möbius ontwikkeld. Na zijn beschrijving van de organismen die op, of in de onmiddellijke nabijheid van, een oesterbank leven, schrijft hij in 1877: „Die Wissenschaft besitzt noch kein Wort für eine solche Gemeinschaft von lebenden Wesen, für eine den durchschnittlichen ausseren Lebensverhaltnisse entsprechende Auswahl und Zahl von Arten und Individuen, welche sich gegenseitig bedingen und durch Fortpflanzung in einem abgemessenen Gebiete dauernd erhalten. Ich nenne eine solche Gemeinschaft Biocoenosis oder Lebensgemeinde." Later heeft Möbius „Lebensgemeinde" vervangen door „Lebensgemeinschaft". Onder deze laatste naam vooral (levensgemeenschap) is het begrip ingeburgerd. Door de Duitse onderzoeker Dahl is in 1908 het begrip biotoop ontworpen. Hij noemde een biotoop, zonder dit verder te definiëren, een „Gelande- oder Gewassersart", een „soort" land of water dus, waarin bepaalde dieren leven. Friederichs bracht in 1927 beide begrippen tot elkaar doordat hij het gebied, dat door een bepaalde biocoenose wordt bewoond, een biotoop noemde. Men kan dus, om de gedachten te bepalen, zeggen dat een veen, en een zandstrand, biotopen vormen, elk met een eigen biocoenose, die uit diverse planten en dieren bestaat. Nu is het ene dier meer aan een bepaald biotoop (dus aan zekere levensomstandigheden) gebonden dan een ander. Men kan de dieren zo verdelen in eurytope en stenotope soorten, al naarmate zij in vele of slechts in een enkel biotoop voorkomen. Uiteraard is hier vaak geen scherpe scheiding te trekken. Men kan bij deze onderscheiding ook meer letten op de eisen die het dier aan de verschillende faktoren in zijn omgeving (temperatuur, vochtigheid e.d.) stelt: dan spreekt men van stenoek en euryoek. Deze beide begrippen dekken vrijwel de begrippen stenotoop en eurytoop. Voor bepaalde soorten is deze oekologische valentie (die dus wordt uitgedrukt in het steno- of eury-toop zijn), niet over het gehele geografisch bewoonde gebied hetzelfde. Een soort kan in het centrale deel van zijn verspreidingsgebied eurytoop zijn, doch aan de rand steno-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's

1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 284

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's