1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 279
NORM EN NORMALITEIT IN DE PSYCHIATRIE II
227
waardoor eigenlijk in laatste instantie het normbegrip niet blijvend te hanteren is. Immers, het hanteren van een norm vooronderstelt het weten van en de kennis omtrent een bepaalde vrije, onaangetaste en onaangevochten werkelijkheid. Vaak vindt men deze norm uitgedrukt in een bepaalde ethische of morele vormgeving. Vaak ook vindt men bij meer humanistisch gekleurde beschouwingen de norm uiteindelijk uitgedrukt in criteria van zelfverwerkelijking en eigen gerechtigheid. De christen zal zowel tegen het een als tegen het ander bezwaren tot uitdrukking brengen. Absolute normen van ethische of geestelijke aard vindt hij allicht verdacht. Immers zijn deze vaak gekleurd door een bepaalde neiging tot zelfhandhaving en verabsolutering van het menselijk bestaan. Het is treffend te constateren dat de groten onder de psychotherapeuten dit ingezien hebben. Ik denk hierbij vooral aan Freud en Adler. Bij Jung is dit inzicht veel geringer. Jung spreekt met vreugde over de zelfverwerkelijking als absolute norm van het menselijk bestaan. Freud en Adler zijn beide hieromtrent veel minder optimistisch gestemd. Ik meen te mogen aannemen, dat dit voor een deel samenhangt met hun joods realisme, voor een deel waarschijnlijk echter ook met hun oud-testamentische traditie. Het is niet juist Freud een goed Christen te noemen, het is wèl juist bij Freud een stuk van het joodse religieuze bewustzijn, gefundeerd op het Oude Testament, te herkennen. Freud heeft zich onder invloed van tal van uiterlijke en innerlijke omstandigheden vaak pessimistisch uitgelaten over de toekomst en het lot van de mensheid. Ook Adler, die vaak voor een ongeneeslijke optimist werd gehouden, heeft uitspraken nagelaten, die een bijna tragisch karakter dragen. Men heeft zich er vaak aan gestoten dat Adler het minderwaardigheidsgevoel als oerphaenomeen schijnt op te vatten, als een grondstemming, waarvan hij zegt: ,,erst mit dem Aufwachen des Minderwertigkeitsgefühls beginnt der Prozess des Seelenlebens". Anthropologisch gezien valt voor deze opvatting veel te zeggen. Het ontstaan van een minderwaardigheidsgevoel vooronderstelt de mogelijkheid van twee fundamentele bewustzijnsstructuren, n.l. enerzijds een bewustzijn omtrent de eigen waarde, en anderzijds de objectiverende mogelijkheid tot vergelijking met de waarde van anderen. Zo gezien kan men zeggen dat het ontstaan van het minderwaardigheidsgevoel slechts mogelijk is, wanneer het ik tot dergelijke vergelijkingen in staat is. Adler bedoelt het echter anders en gaat van de vaak gehuldigde
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's