1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 223
OVER DE MELAATSHEID IN DE BIJBEL
181
ling zijn, want het uitstoten uit het kamp, afgezonderd van eigen familie, uitgesloten van de godsdienstige gemeenschap, was het zwaarste wat aan een rechtgelovige Jood kon opgelegd worden. Maar ook de redactie van de hoofdstukken 13 en 14 maakt in geen enkel opzicht de indruk van vaag te willen zijn; uitvoerig wordt juist getracht de tekenen der zara'ath te onderscheiden van die der onschuldige — wettisch reine — verzweringen en uitslagen. Ik wil niet lang stil staan bij enkele schrijvers — hun namen zal ik u sparen, aangezien zij in deze tijden geheel onbekend zijn — die de mening voorgestaan hebben, dat de zara'ath van de Bijbel een ziekte was, die nu geheel verdwenen is, of die in vroeger tijden alleen bij de Joden zou zijn voorgekomen. Enig bewijs kunnen zij er niet voor leveren. Het is zuiver speculatief. Ook de reeds meer aangehaalde Ketting, een Nederlands arts, die in 1922 een zeer verdienstelijke dissertatie over de geschiedenis der lepra in Nederland schreef en waaruit ik ook vele gegevens haalde over de benaming en woordafleiding aangaande lepra, blijkt het standpunt in te nemen, dat zara'ath en de lepra van heden identiek zijn. Uit twee opmerkingen van Ketting meen ik echter te moeten concluderen, dat hij zelden of nooit lepralijders heeft gezien. Op blz. 22 schrijft hij: (naar aanleiding van de beschrijving der zara'ath in de Mishna). „Dat er in het hoofdstuk der huidziekten (Tracta'at Negaïm) werkelijk over lepra gehandeld wordt, moge blijken uit de bepaling, die er in voorkomt voor de gemutileerden. De wegname van het gestorvene weefsel moet voor Paschen geschieden met het oog op het offeren, waarvoor men eerst, voor zover mogelijk, rein moet zijn." Nu is dit een vergissing, die wij herhaaldelijk tegenkomen, n.l. de gedachte alsof het gewoon is, dat er in de wonden van lepralijders gestorven weefsel zou voorkomen, dat men pijnloos weg zou kunnen nemen en waardoor de mutilaties optreden. Dit is in het algemeen onjuist. De misvormingen bij de lepra treden niet op door afstoting, maar door ineenschrompeling, en gangraeneus weefsel zien wij normaliter nooit in de wond. Dit is de bekende verwarring, die wij vroeger herhaaldelijk zagen bij de patiënten, die men aan de lepratehuizen toe stuurde, n.l. dat men de angiitis obliterans, misschien ook het Raynaud's gangraen, verwarde met de misvormingen bij de lepra. De door Ketting aangehaalde passage uit de Mishna slaat zonder twijfel op ziektegevallen, die niet behoren tot de lepra van het heden. Het zijn gevallen van endangiitis obliterans, misschien ook
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's