1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 293
HEBBEN DIEREN EEN HUIS?
241
structuren onderscheiden die daarin voorkomen. Het territorium heeft allereerst een grens, het heeft „Heime", soms van verschillende orde. Er bevinden zich een of meer nestplaatsen, plaatsen waar urine en faeces worden geloosd, markeer-plaatsen, d.w.z. plaatsen waar het dier op een of andere wijze zijn merk aanhecht, b.v. door het secreet van bepaalde huidklieren daar af te zetten tegen stammen of takken van bomen en struiken. Er zijn ook bad-plaatsen en niet te vergeten drinkplaatsen. Een bijzondere positie neemt onder deze plaatsen van verschillende waarde het „Heim" in. De gedachten van Hediger (1942 en 1946) hierover kunnen als volgt worden samengevat: Het „Heim" (door ons verder te vertalen met tehuis), in de vorm van een nest, een holte, een leger, en dergelijke, is de plaats waar het dier zich maximaal (relatief) geborgen voelt Veelal is dit de plaats waar het dier zich, bij gevaar, terugtrekt, waar het rust en slaapt, waar het ook vaak de jongen ter wereld brengt. Niet altijd is het dier, wanneer de situatie dat vergt, in staat dit tehuis (Hediger noemt het „Heim 1. Ordnung") op te zoeken; het moet zich dan tevreden stellen met een „Heim 2. Ordnung", een onderkomen. Het kan zelfs zijn dat dit niet mogelijk is, maar dat het dier tevreden moet zijn met een zeer onvolkomen dekking, een „Heim 3. Ordnung", dat we vluchtplaats zouden kunnen noemen. Deze verschillende plaatsen zijn over het territorium verdeeld. Steeds heeft het tehuis de grootste aantrekkingskracht, de vluchtplaats de geringste. Zo gauw dat het dier mogelijk is zal het trachten in plaats van een vluchtplaats, een onderkomen of het tehuis te bereiken. In de regel is er slechts één tehuis, terwijl onderkomens en vooral vluchtplaatsen in grotere aantallen aanwezig zijn. Afgezien van het feit dat de dieren op deze verschillende plaatsen verschillende dingen doen, spreekt hier ook de tijdfactor een rol, d.w.z. dat bepaalde activiteiten op een bepaalde plaats, maar veelal ook op een bepaalde tijd van de dag worden uitgevoerd. Dit punt, hoe interessant ook, zullen wij, daar het buiten het kader van ons onderwerp valt, buiten beschouwing laten. Wanneer wij nu trachten de rekening op te maken, valt allereerst op dat wij in het dierenrijk bij, menselijk gesproken, toenemende structuurdifferentiatie, ook een toename kunnen constateren in de bindingen van bepaalde activiteiten aan bepaalde plaatsen in het bewoonde gebied. Bij ongewervelde dieren, als libellen, vliesvleugeligen, en nap-
]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's