1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 216
174
K. P. C. A. GRAMBERG
Het was in de Middeleeuwen werkelijk geen pleizier te leven. Oorlog, ziekten en epidemieën teisterden Europa, Men neemt immers aan dat in die tijden de gemiddelde leeftijd van een mens niet meer dan 25 jaar zal geweest zijn. Hoe kon men deze ellende rijmen met Gods Liefde? Men kon ze alleen aanvaarden door aan te nemen, dat dit alles een beproeving was (geen straf dus), die bedoelde de mens voor te bereiden op het hiernamaals: hier een arme Lazarus, ginds in de armen van Abraham. En zo werden dus allen die het hier op aarde door allerlei ziekten slecht troffen en er afstotend uitzagen, arme Lazarussen genoemd of ook arme „miserabele siecken", of alleen „siecken", of ook „een sieck man belaserd wesende", later melater of melaat, maar ook „Gods lieve siecken". Zo moet men ook verklaren dat de Kerkvader Origenes leeraarde dat Job aan lepra had geleden; zo kwam men er toe deze benaming ook te gebruiken voor een groep getekenden, die in het Oude en Nieuwe Testament voorkomen en die daar werden aangeduid met de toevoeging dat zij leden aan lepra. Dit woord vinden wij in de Vulgata; het is daarin overgenomen van de oorspronkelijke Grieksche vertaling van het Oude Testament (de z.g. Septuaginta) waarin op enkele plaatsen gesproken wordt van een toestand van sommige mensen, die lijden aan lepra, en dit is dan weer de vertaling van het Hebreeuwsche woord zaraath. Wanneer wij ons dus afvragen wat wij moeten verstaan onder de melaatsheid van de Bijbel, dan moeten wij tevens nagaan wat betekende in de tijd der „Zeventig geleerden, die de boeken van Mozes vertaalden" het woord lepra, en wat betekende in deze boeken eigenlijk het woord en het begrip „zara'ath"? Want indien een melaatse van heden alleen maar een arme Lazarus zou zijn, een gebrekkige, misschien een bedelaar — dat alles zou voor degene die daarmee zou aangeduid worden, wel te dragen zijn, maar aan het woord melaats van deze dagen is onlosmakelijk verbonden het lot van de zara'athlijder uit het Oude Testament, waarvan werd gezegd: „afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn" (Lev. 13 : 46b). Wij moeten dus eerst nagaan wat er in de tijden van Mozes en daarna verstaan werd onder het woord: zara'ath. Ik nodig u daarom uit te lezen de hoofdstukken Leviticus 13 en 14 in het Oude Testament. Dit is niet de enige plaats, waar we het woord zara'ath vinden, maar op geen der andere plaatsen is de aanduiding over de verschijnselen zoo uitvoerig als in deze hoofdstukken. Wel geven deze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's