Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 289

3 minuten leestijd

HEBBEN DIEREN EEN HUIS?

237

men dit dier meestal aan in holten e.d, waarin hij zich overdag terugtrekt. Mag men hierbij denken aan individueel herkende holten? Keren m.a.w. de dieren, na een voedseltocht op eenzelfde, door hen herkende plaats terug? Het is bewezen dat dergelijke verschijnselen zich voordoen bij mariene napslakken, o.a. bij het genus Patella. Sommige exemplaren keren, na een voedseltocht in de omgeving, waarvan het begin en de duur van de uitwendige omstandigheden afhankelijk is, steeds naar eenzelfde plaats terug. Voor de heen- en terugreis wordt van eenzelfde weg gebruik gemaakt. Bij verplaatsingsproeven door Morgan in 1894, in een kolonie, waarvan de maximale wegafstand (de kruipsporen blijven waar te nemen) ongeveer 55 cm bedroeg, keerde bij verplaatsingen tot 45 cm 85 % van 67 dieren terug. Bij verplaatsingen over meer dan 60 cm keerde slechts 15 % (van 36 exemplaren) terug. Vinden we hier niet een specifieke, individuele binding aan een deel van de habitat? Hebben we hier inderdaad te maken met een soort huis? De vraag die hierbij rijst is uiteraard hoe de dieren hun plekje terugvinden. Hoewel de experimenten hierover geen duidelijke resultaten hebben opgeleverd, wordt gedacht aan een „geheugen" der dieren voor bepaalde tactiele prikkels (zie Edelstam en Palmer, 1950). Nader onderzoek op dit punt lijkt gewenst. Daarnaast zijn er vele dieren die, althans gedurende een zekere periode in hun leven, op een betrekkelijk klein plekje blijven zitten, zonder dat van een speciale binding sprake is. Men kan hierbij denken aan de larvale stadia van insecten die zich in rottende en andere substanties ontwikkelen. De keuze van de habitat wordt hier verzorgd door de selectieve ovipositie van de adulte dieren: zij leggen de eieren daar, waar een daaropvolgende ontwikkeling van de jonge dieren gewaarborgd is. Hoewel dus het leven van de larven zich op een speciale plaats afspeelt, kan men hier nauwelijks van speciale bindingen spreken. Er bestaan wel barrières die het verplaatsen van de larven naar minder geschikte gebieden tegengaan, maar deze berusten, voor zover bekend, slechts op een reflectorisch handelen van de larven op prikkels. Even anders ligt de zaak wanneer wij onze aandacht richten op adulte dieren. Voor de adulte dieren van eerdergenoemde larven geldt dat hun activiteiten — even afgezien van de voeding — gericht zijn op de paring en daarna op het eieren leggen. Deze worden op een speciale plaats gelegd, maar deze, door de dieren gekozen, plaatsen fungeren niet als durende centra in hun leven. Er is slechts een incidenteel zoe-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's

1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 289

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's