1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 278
226
A. L. JANSE DE JONGE
het onder een iets ander aspect, onderschrijft. Immers ook hij zegt dat het de arts is, die de patiënt ziek maakt. Uit de aard der zaak dient men dit laatste goed te verstaan. De patiënt komt tot de arts met de klacht en het is de phaenomenologie van deze klacht welke voor een beter inzicht in de geneeskunde bijzonder belangrijk is. Wijst immers de arts deze klacht af, dan dient de patiënt zich daarmede tevreden te stellen. Hij moet zichzelf er dan van overtuigen dat er immers ,.niets" is. Wordt de klacht geaccepteerd en geplaatst in het groter geheel van diagnostiek en behandeling, dan is de patiënt ook tegelijk (legitiem) ziek. Zo beschouwd is het inderdaad waar dat de arts de patiënt ziek maakt, althans de ziekte legitimeert. Dikwijls speelt dit probleem bij de behandeling, de controle en de keuring van de patiënt een zeer belangrijke rol Müller-Suur neigt er echter toe het begrip ziek-zijn nog verder te ver-absoluteren. Het wezen van het ziek-zijn heeft voor hem een typisch geestelijke betekenis. In die zin dat het individu dat een ziekte heeft ook ziek „is". Het begrip zijn wordt hier dus niet gebruikt in de geïsoleerde, abstracte zin, maar in de sterk personalistische betekenis van het woord. De onderscheiding tussen „een ziekte hebben" en „ziek zijn" is inderdaad van uit dit gezichtspunt gezien van groot belang. De wijze waarop men ziek is, waarop men de stoornis ondergaat en het lijden ervaart, is psychologisch gezien van zeer grote betekenis. Aan de genoemde onderscheiding ligt „die doppelte Ganzheit des Menschen" zoals Binswanger het noemt, ten grondslag. Hier knüsen elkaar de natuurwetenschappelijke en de geesteswetenschappelijke opvattingen omtrent het menselijk bestaan. Binswanger legt zich voorlopig bij deze „doppelte Ganzheit" neer omdat hij meent dat het quantitatieve en het qualitatieve in het menselijk bestaan nooit geheel te verenigen valt. Men ziet dat men op deze wijze het normbegrip wel kan verhelderen, maar met de verheldering treedt ook aan het licht, dat de verschillende normbegrippen met voorzichtigheid gehanteerd moeten worden. De hedendaagse tendenz van de anthropologische denkwijze is dus meer in de richting van een blijvende differentiatie en een voortdurend afwegen van de waarde en invloed der verschillende niveaus van het menselijk bestaan.
Bij dit alles doet zich tenslotte de vraag voor, of niet diep in de eigen aard van het menselijk bestaan het conflict verscholen ligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's