1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 288
236
L. VLIJM
verstaan van de relatie tussen dier en milieu, kan men practisch toch alleen bexJaalde factoren uit de Umwelt van het dier in zijn onderzoek betrekken. Het huis van een dier moet deel uit maken van zijn Umwelt, omdat er in dat geval tussen het dier en een deel van zijn woongebied directe bindingen aanwezig zijn, die het mogelijk maken van een activiteitscentrum te spreken. Wanneer wij nu de vraag stellen of wij bij dieren van een „huis" kunnen spreken, leidt ons dit allereerst tot de kwestie of een bepaald dier een gefixeerd woongebied heeft. Robinson Crusoe zat — althans de eerste tijd — aan zijn eiland vast. Hij kon er niet af. Maar wanneer dat eiland groter geweest zou zijn, had hij misschien wel een zwervend leven aan kunnen nemen, zich niet op één bepaalde plaats ktmnen vestigen. Sedentair levende dieren, b.v. sponsen en mossels, zijn althans gedurende een kortere of langere periode aan een bepaalde plaats gebonden. De keuze van deze plaats geschiedt door habitatselectie, onder invloed van bepaalde eisen die het organisme aan zijn omgeving stelt, maar anderzijds toch voor een belangrijk deel op toevallige factoren berustend. Bij deze dieren ontstaan geen speciale bindingen tussen hun gedragingen en de plaats waar zij leven. Van dergelijke bindingen zullen wij dus eerst kunnen spreken bij dieren die niet-sedentair zijn, die zich vrij in een medium kunnen bewegen. Deze dieren immers hebben voortdurend de keus tussen blijven en gaan, tussen iets hier doen of daar. Bij het onderzoek van relaties tussen gedragingen en een bepaald deel van het bewoonde gebied gelden dus vragen als: herkennen de dieren het terrein waarin zij leven?, hebben zij bij sommige gedragingen voorkeur voor een speciaal gedeelte van hun woongebied en hoe is deze voorkeur bepaald? Bij de meeste dieren zijn deze en andere vragen van analoge aard niet onderzocht, zodat vaak de indruk bestaat dat er geen speciale verbanden tussen de gedragingen van een dier en bepaalde plaatsen in zijn habitat bestaan. Dit geldt b.v. met name voor vele in het water en op het land levende insecten. Zijn zij er daarom niet? Soms liggen dergelijke verbanden, hoewel niet aangetoond, min of meer voor de hand. Men kan hierbij denken aan individuele exemplaren van Astacus fluviatiÜs, de in ons land, door toenemende vervuiling van de wateren waarin hij voorkwam, thans zeldzame rivierkreeft. In zijn habitat treft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's