1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 277
NORM EN NORMALITEIT IN DE PSYCHIATRIE II
225
maar ook op dezelfde wijze zoals wij dit hierboven reeds deden, in relatie gezien met de intentionaliteit. Hij zegt hierbij dat het differente van de norm tot uitdrukking komt in het object, waarnaar door de betreffende mens gestreefd wordt. Het differentiële normbegrip bevat dan ook bepaalde eisen in zich, die door en aan het individu gesteld worden. Dit zijn echter geen normen of eisen die een duidelijk geïsoleerd en abstract karakter dragen, maar deze eisen zelf komen voort uit de typische belevingswijze van de patiënt. Vaak stuiten wij door ons onbegrip op een muur, doordat de patiënt wel enigermate kan duidelijk maken wat in hem omgaat en waarnaar hij streeft, maar onze eigen innerlijke ervaring toch niet daarvoor toegankelijk is. Het probleem van het invoelend vermogen en de grenzen daarvan rijst hier voor ons op. Terecht is er dan ook op gewezen, dat wij met onze norm juist daar bijzonder voorzichtig moeten zijn, waar belevingswijzen en persoonlijkheidsvormen aan de dag treden, die wij voor ons zelf moeilijk kunnen doorzien. Het is duidelijk dat vooral de psychiater vrijwel elke dag hierop stuit. In het kort mag hier nog gesproken worden over het „begrijpen" van het genie. Wij hebben hier immers te maken met een bestaansvorm die voor de niet-geniale mens principieel ondoorzichtig is. Hetzelfde geldt voor bepaalde religieuze phaenomenen die de nietreligieuze psychiater niet kan doorzien. Men ziet dan vaak dat deze er toe neigt deze phaenomenen te reduceren tot voor hem begrijpelijke reactievormen. Zo zal hij heden ten dage moeite hebben bekeringsgeschiedenissen uit de 15e en 16e eeuw op de juiste waarde te schatten. Evenzeer is het moeilijk tal van belevingswijzen, welke de patiënt vaak nauwelijks kan omschrijven, naar hun eigen aard te doorzien. Over het algemeen kan men, wanneer men beschikt over enige geestelijke mobiliteit en soepelheid, bepaalde sociale structuren nog wel in de eigen aard doorschouwen. Op het specifiek geestelijke niveau van de mens wordt dit veel moeilijker. Te begrijpen valt dan ook, dat de beschouwingen van Müller-Suur uitmonden in de vraag naar een existentieel metaphysisch ziektebegrip, het begrip van het „ziek zijn" in de meest zuivere vorm. Binswanger wijst, aansluitend bij een uitspraak van V. von Weizsacker, er op dat het wezen van het ziek zijn bestaat in de nood en zich uit in de vorm van een vragen om hulp. Ook hier komt weer de typische gedachtegang naar voren in die zin, dat Binswanger tenslotte zegt: „Ich nenne den krank..., in dem ich als Arzt die Not erkenne". Belangwekkend is dat ook Weijel deze gedachtegang, zij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's