1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 285
HEBBEN DIEREN EEN HUIS?
233
toop. Sommige loopkevers b.v. komen aan de grens van hun verspreidingsgebied alleen op kalkhoudende bodem voor, zijn daar dus stenotoop, terwijl ze in het overige verspreidingsgebied eurytoop zijn. Deze kalkfactor is, naar uit onderzoekingen van Lindroth in 1949 bleek, zelf van weinig belang. Het is juist de bodemwarmte (die in kalkbodem hoger ligt) waaraan de dieren primair gebonden zijn. Vandaar dat ze in andere delen van hun verspreidingsgebied in het geheel niet gebonden zijn aan een bepaald kalkgehalte van de bodem. Dit voorbeeld kan met vele andere worden uitgebreid. Ook binnen een biotoop echter komen dieren niet op alle plaatsen voor. Men vindt ze, binnen het bewoonde biotoop, op de ene plaats wel, op de andere niet. Men noemt de plaatsen, waar men een organisme geregeld aantreft: zijn habitat. Deze habitat is voor dieren dus de plaats waar zij leven. Die habitat is aangepast aan de eisen die het organisme aan zijn omgeving stelt. Elke soort heeft zijn eigen habitat. Dit verschijnsel wordt waarschijnlijk voor een belangrijk deel veroorzaakt door het feit dat dieren in staat zijn hun habitat te kiezen. Men treft zoals men dat noemt habitatselectie aan. Dat is een voor dierlijke organismen typisch verschijnsel: zij zijn, althans gedurende een deel van hun leven, beweeglijk en kunnen daardoor zich op een bepaalde plaats vestigen, of niet. De gedragingen der dieren zijn van zeer veel belang bij het kiezen van de juiste habitat (Verwey, 1949; Ewer, 1956). Veelal is deze habitatselectie moeilijk te analyseren. Dat gedragingen hierbij van veel belang kunnen zijn blijkt uit een onderzoek van Harris, in 1952, bij twee ondersoorten van muizen van het geslacht Peromyscus. Hij liet hen de keus tussen twee kunstmatige habitats, een van „boomstompen", een ander van „gras" (gesneden Manilavezels), terwijl de overige omstandigheden in de proefruimte geheel gelijk waren. De ondersoort die in zijn voorkomen beperkt was tot open gebieden, koos het „gras", de ondersoort die in bossen algemeen is gaf de voorkeur aan de „boomstompen". Harris concludeerde hieruit dat habitatselectie optreedt in afhankelijkheid van de aanwezigheid van bepaalde objecten, die kenmerkend zijn voor de habitat, en niet onder invloed van physische omstandigheden in het milieu, zoals licht, temperatuur e.d. In andere gevallen zullen natuurlijk andere factoren een rol kunnen spelen. Het dier is niet alleen aangepast aan de omstandigheden waaronder het leeft, maar het past ook op een speciale manier in de biocoenose van het biotoop. Het heeft bepaalde relaties tot voedsel, tot prooidieren e.d. Voor het totaal van deze relaties van een dier tot zijn omgeving
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's