1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 290
238
L. VLIJM
ken en vinden van een plaats die geschikt is om eieren af te zetten. Bij sommige vliesvleugeligen (Hymenoptera) is een dergelijk centrum hoger ontwikkeld. Men kan b.v. denken aan de resultaten van het onderzoek van Baerends in 1941, aan de sluipwesp, Ammophila adriaanseï. Gedurende de voortplantingsperiode graven deze sluipwespen nestholen, waarin verlamde rupsen worden samengebracht, ten koste waarvan de larve, die uit het ei komt, zich ontwikkelt. Deze nesten worden geregeld door het moederdier bezocht en geïnspecteerd, waarna b.v. nieuw voedsel voor de larve wordt aangebracht. Uiteindelijk wordt dan zo'n nest definitief gesloten. Verschillende van deze nesten zijn tegelijkertijd in bewerking: het dier kan zich dus de plaats daarvan herinneren. Hier vindt men dus een langer durende binding tussen het dier en een bepaald gedeelte van zijn woongebied. Deze nesten, met hun omgeving, hebben ook een zekere territoriumwaarde; zij worden tegen soortgenoten verdedigd. Zij vormen inderdaad centra, maar zijn van tijdelijke aard. Iets dergelijks is beschreven door Moore, in 1952, voor libellen (Odonata). Hier bezetten de mannelijke individuen territoria die een functie hebben bij het paringsritueel. Mannetjes van bepaalde soorten nemen aan het begin van de dag een bepaald gedeelte van het water, met de daaraan grenzende walkant, tot territorium. Elke daarin binnendringende soortgenoot, en ook niet-soortgenoot, wordt benaderd. Indien het een mannetje is dat het domein binnendringt, ontstaat er een gevecht, waarbij meestal de indringer wordt verdreven. Is de binnendringende een wijfje, dan wordt door het territoriumhoudende mannetje een poging gedaan tot paring te komen. Het merkwaardige is dat deze territoria slechts voor één dag gelden: elke dag wordt een nieuw territorium gevestigd. Ook hier dus een speciale binding aan een deel van de habitat, maar van tijdelijke aard. Elton heeft, in 1932, een onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van territoria bij mieren (Formica rufa). De dieren hielden zich vooral bezig met het „melken" van bladluizen op verschillende bomen en struiken. De paden, vanuit de verschillende nesten daar naar toelopend, schenen de grootte van een territorium om elk nest te bepalen. Er kwam echter in het geheel geen territoriaal gedrag, in de vorm van verdediging van het gebied om het nest, voor. Dat desondanks nu en dan een rooftocht van het ene nest naar het andere, en vernietiging daarvan, plaats had, kon niet door voedselgebrek verklaard worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's