1958 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 321
WAAROM EN WAARIN „ANDERS"?
265
stand te voorkomen, nog even opgemerkt, misschien ten overvloede — niet aan de Vrije Universiteit verbonden is, maar rector van het Theologisch Seminarie der Hervormde Kerk te Driebergen). Hooykaas wordt niet moede er op te wijzen, dat het juist het Christendom geweest is, dat de wetenschap, ook de natuurwetenschap, werkelijk vrij gemaakt heeft en zo tot haar volle ontplooiing gebracht. Ik denk b.v. aan zijn „Christian Faith and the Freedom of Science". Daarbij is het geenszins zijn bedoeling op alles, wat in dit opzicht van Christelijke zijde geboden wordt, zijn bewering te willen toepassen. „De wetenschap verstikt — aldus Hooykaas in de inleiding — wanneer de mensen vooropgezette ideeën koesteren, die zij weigeren op de proef te stellen en dit geschiedt onder totalitaire stelsels, of die nu door wereldlijke of door geestelijke machthebbers worden geleid, èn — in het tegenovergestelde uiterste — als het eigen ik verheven wordt tot de maat der dingen in plaats van tot de ootmoedige ontvanger der waarheid. Datzelfde kan echter ook plaats vinden (en Christenen zijn in het bijzonder geneigd hieraan voorbij te zien) als goedbedoelde vroomheid afgeleide normen stelt op een plaats, die slechts God toekomt". (Zo ziet Hooykaas de vrijheid der wetenschap door Voetius bedreigd, maar door Calvijn bevorderd). En dan betoogt hij, dat de Schrift, mits juist opgevat, een geestelijke bevrijding van dwang van beide kanten uitwerkt. Haar vermogen de mensen te inspireren, is de eeuwen door gebleken, niet alleen in de geloofstrouw van eenvoudige arbeiders, maar ook in de stoutheid van denken van pioniers der wetenschap. De opvattingen van de rector van het Seminarie te Driebergen, die voor het thema van dit artikel van belang zijn, veroorloof ik mij weer te geven door twee, vrij lange citaten uit zijn recente boek: „Christus de zin der geschiedenis". Voor „de antieke mens", aldus dr. Berkhof, was de natuur „de gestalte van het goddelijk lot, waaronder hij zich had te voegen. Wie de natuur aanrandt, roept de goden tegen zich op. Meer dan de akkerbouw was de mens nauwelijks geoorloofd en ook die dient met riten en offers te worden omgeven. Totdat de bijbel zijn intrede doet en verkondigt, dat God niet aan de zijde van de natuur tegenover de mens staat, maar aan de zijde van de mens tegenover de natuur (Gen. 1 ; 26—28, Ps. 8). De natuur wordt ontgoddelijkt en zo object van menselijk ontginnen. Met de zendingsprediking zijn de moderne natuurwetenschappen en de techniek in principe gegeven. Kwalitatief en kwantitatief verschillen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 340 Pagina's