1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 148
116
W. MARSMAN
leert het kind het andere, het vreemde, het veranderlijke als gevaar trotseren. Het schrikwekkende van de verandering vertelde mij een patient, die geen moederlijke liefde of zorg gehad heeft, hoe hij als kind in een panische angst kwam als er een speelgoedtreintje ging bewegen. Het identiteitsgevoel dat onmisbaar is voor het zelfgevoel, het latere zelfvertrouwen, zich als „onveranderlijk" dient te kunnen ondergaan tegenover de veranderde Umwelt, leert het kind aan de onveranderlijkheid van de vertrouwde relatie met de moeder. Deze vertrouwde relatie met de moeder maakt het mogelijk contact met de dingen te krijgen en deze via de moeder te vertrouwen. Deze jeugdveiligheid verdwijnt, aanvallen op het gevestigde vertrouwen nemen toe, en steeds moet het vertrouwen opnieuw gerealiseerd worden. In de puberteit kan dit tot de eerste existentiële angsten leiden en juist op dit ogenblik in de ontwikkeling is de relatievorming met de andere sexe het grote houvast voor het vertrouwen. In de verliefdheid is voor de betrokkene de wereld verkleind, verdicht, geconcentreerd tot de „ander", ze zeggen dan ook: „jij bent alles voor mij", d.w.z. „jij bent de hele wereld voor mij". In deze relatie wordt de verliefde door de ander geheel met huid en haar geaccepteerd en vertrouwd. Deze „andere", in dit geval de andere sexe, is eigenlijk het gevaarlijkste wat er is, nl. de medemens die zo volkomen anders is, en die bovendien nog onder het oedipale of incestverbod staat. Met dit gevaarlijke andere ontstaat nu een vertrouwde relatie. Het totaal andere, het vreemde, deze verdichte wereld is te vertrouwen; geen wonder dat hierbij een geluksgevoel gesignaleerd wordt. Voor de man wordt zo de vrouw die hem liefheeft voor de tweede maal de toegangspoort tot een vertrouwde wereld, waarvan zij het symbool is *). *) Het zou te ver voeren hier nader in te gaan op het verband tussen vertrouwen en heterosexualiteit enerzijds en tussen paranoïdie en homosexualiteit anderzijds Wat dit laatste betreft is reeds door de oude clinici als Kraepelin e a. gewezen op het tegelijkertijd voorkomen van paranoidie en homosexualiteit Door Freud is o a. m zijn Schreber-analyse een genetische samenhang tussen de paranoidie en de homosexualiteit aangetoond In een andere publicatie zal ik deze gegevens nader uitwerken en het optreden van paranoïde verschijnselen m verband brengen met verzwakkende momenten m de heterosexualiteit, waardoor dus de relatie met „het andere", de andere sexe, verstoord is en daardoor de toegang tot een te vertrouwen realiteit onmogelijk geworden is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's