Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 270

2 minuten leestijd

222

A. A. MANTEN

dat de overige kenmerken als zodanig ook in het dierenrijk aanwezig zijn. Trachten we dit in een definitie samen te vatten, dan komen we tot het navolgende resultaat: De menselijke taal is het medium, bestaande uit een beperkte hoeveelheid op zichzelf zinloze klanken, in een onbeperkt aantal verschillende rangschikkingen, waarmee eerst het indivdu, maar daarna ook de gemeenschap, op bewuste wijze zijn levensuniversum beheerst, daarbij ruimte en tijd overspannend; deze taal wordt op traditionele wijze op de volgende generaties overgedragen. Is de taal ineens of geleidelijk

gevormd?

Wanneer deed de menselijke taal zijn intrede op aarde? Twee opvattingen zijn hier mogelijk: (a) Deze taal vindt zijn oorsprong tegelijk met het eerste optreden van de mens; (b) De taal heeft een geleidelijke ontwikkeling doorgemaakt. Opvatting (a) heeft vooral in het verleden zijn aanhangers gehad, voor de opkomst van de huidige ontwikkelingsleer, daarna nog hoofdzakelijk in fundamentalistische kringen. Zij hangt onmiskenbaar samen met een bepaalde beschouwing van de eerste Genesis-hoofdstukken. Zo meende Aalders (1932) „dat er van meet af, zodra de mens geschapen was, ook een menselijke taal bestond, waarin God zich tot de mens richtte en waarin de mens zichzelf vermocht uit te drukken. Daaruit zullen we moeten afleiden dat de taal met de schepping van de mens zelf gegeven is. De taal behoort tot het wezen van de mens, en door de taal is de mens van het dier onderscheiden." En elders zegt hij nog eens (Aalders, 1933): „Het i s . . . . onjuist hier (Gen. 2 : 19, 20) de voorstelling te vinden, dat de mens zijn eigen taal zou hebben gemaakt. Integendeel, de mens maakt gebruik van een taal die er reeds i s . . . . die met de schepping van de mens zelf gegeven is." Een soortgelijke mening vinden we bij Venter (1961), die evenmin in de Schriftgegevens grond vindt voor de veronderstelling dat de taal niet direkt goed, volmaakt en volkomen adekwaat was. „Gesien het feit dat die mens volmaak geskape i s . . . . e n . . . . God onmiddellik met hom gepraat het, moet ons aanvaar dat die mens volledig toegerus was om te hoor, te interpreteer, te verstaan en self woorde te vorm en uit te spreek — getuie die naamgewing van die diere." Ondanks het feit dat de laatstgenoemde uitspraak nog van zeer recente datum is, kan gekonstateerd worden dat deze beschouwings-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 270

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's