1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 278
230
A. A. MANTEN
veer recht, dan noemt men de kin neutraal, is de hoek groter dan 90 dan duidt men de kinvorm aan als negatief. Passen we deze regels toe, dan wordt bij de recente mensapen een negatieve kin aangetroffen. De gevonden menselijke fossielen hebben ten dele een bijna negatieve kin, voor een ander deel een neutrale of (te beginnen bij de Homo sapiens aurignacensis) zwak positieve kinvorm. De tegenwoordige mens heeft steeds een — wisselend van zwak tot sterk ontwikkelde — positieve kin. Tot zover schijnt het gelegde verband tussen kinvorm en spraak dus niet geheel en al zonder grond. Vastgesteld dient echter nog te worden of dit ook funktioneel-anatomisch waarschijnlijk te achten valt. In principe kan een positieve kin zich op drie verschillende manieren uit een negatieve ontwikkeld hebben: 1. Het basale deel van de onderkaak kan zich verder naar ventraal uitgebreid hebben. 2. Het alveolaire gedeelte van de onderkaak kan zich dorsaalwaarts hebben teruggetrokken. 3.
Beide faktoren kunnen hebben samengewerkt.
Ter verklaring van een sterkere uitbreiding van het basale deel van de mandibula zijn verschillende hypothesen geponeerd, waarvan als de belangrijkste genoemd worden: a) De oorsprong van bepaalde tongspieren (musculus genioglossus) aan de binnenzijde van de onderkaak zou geleid hebben tot verdikking van deze kaak aan de buitenzijde. Het gebruik dat van de tong wordt gemaakt bij het gearticuleerde spreken, zou hiertoe in belangrijke mate bijgedragen hebben. Zeer terecht heeft Van den Broek (1950) er echter op gewezen dat de tongbewegingen van de gearticuleerde spraak niet of nauwelijks anders, en zeker niet krachtiger zijn dan bij de beweging van het voedsel in de mond. Deze hypothese heeft dan ook geen grote waarschijnlijkheid. b) Bij de recente mens wordt het kingebied ingenomen door de brede aanhechting van de mimische spieren, die bij hem veel sterker gedifferentieerd zijn dan bij de tegenwoordige mensapen. Van den Broek wees in dit verband vooral op het feit, dat de musculus mentalis bij de mens veel sterker ontwikkeld is en richtte daarbij tevens de aandacht op de ontwikkeling van Platysma, Musculus quadratus en Musculus triangularis. Bij de anthropomorfe apen vindt men in de omgeving van de mond aan de onderkaak vrijwel geen versterkingen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's