1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 72
52
A. C. DROGENDIJK
gaven alleen geschonken aan de eerste christenen en hielden allengs op en verdwenen, toen de kerk de canon van het N.T. had ontvangen. Maar, zal men tegenwerpen, in de Evangeliën is dan toch maar gedurig van een dergelijke opdracht tot genezing van zieken, reiniging van melaatsen, uitdrijving van boze geesten en opwekking van doden, sprake. Inderdaad, doch deze opdracht is zeer bepaald aan de evangelieverkondiging aan Israël verbonden. „Wijk niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen, begeeft U liever tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matth. 10 : 56). En dit houdt weer verband met het feit, dat juist aan Israël beloofd was, dat de Messias herkend zou worden als de wonderlijke geneesheer (vgl. Jesaja 29 : 18, 35 : 5, 11 : 1 en Matth. 11 : 5). Met andere woorden: deze genezingswonderen waren Christus' legitimatie, „Ie signe de la venue du royaume en Jésus Christ" (Cardis). Men moet daarom de wonderen van het N.T. niet willen continueren tot op de huidige dag; zij waren signalen, bewijzen van het machtige, wereldomspannende feit, dat de Messias, de Heiland, de lang verwachte Verlosser, werkelijk gekomen was. Hoe denken nu — en daarmee besluit ik deze beschouwing — de artsen over de paranormale geneeskunst? De artsen staan nog altijd op het standpunt dat het fundament van de geneeskunst de geneeskunde is, d.w.z. een uitgebreide kennis van de gezonde en van de zieke mens. Daarnaast zijn ook irrationele factoren van betekenis, zoals tact om met patiënten om te gaan, intuïtief aanvoelen van psychische moeilijkheden, „feeling" voor de juiste medische aanpak, het winnen van vertrouwen en dergelijke, maar dit neemt niet weg, dat kennis van de geneeskimde onontbeerlijk is en blijft voor een juiste uitoefening van de geneeskunst. Alle artsen zijn dan ook voor handhaving van de principes, neergelegd in de Wet van 1865 op de geneeskunst. Deze wet dient immers mede ter bescherming van het publiek en zo lang niet langs wetenschappelijke weg is aangetoond, dat er zoiets als paranormale begaafdheid bestaat, welke gave dan bovendien nog bruikbaar moet zijn op medisch terrein, zo lang kan o.i. aan onbevoegden geen bevoegdheid worden gegeven om de geneeskunst uit te oefenen. Op de vraag: „Wat onderscheiden essentieel de kwakzalvers, de magnetiseurs, de vrije artsen van de geschoolde geneesheer?", heeft prof. Treub zo kenmerkend geantwoord: „Zij weten niet wat zij doen, waarom zij het doen en waar zij het doen". Zij weten niet wat zij doen, want de werking der geneesmiddelen, de leer der pharmacodynamic, is hun grotendeels onbekend. Evenzo de uitwerking van een of andere
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's