1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 268
220
A. A. MANTEN
Dualiteit. De betekenisvolle elementen in iedere taal — „woorden" in de gewone omgangstaal, „morfemen" in de taal van de taalkundige — vormen een enorme voorraad. Toch worden zij weergegeven door verschillende rangschikkingen van onderling te onderscheiden klanken, die op zichzelf volkomen zinloos zijn. Een „a" of een „p" betekenen uit zichzelf niets, ze krijgen pas betekenis als ze worden gekombineerd tot „aap" „pa" of „pap". Deze dualiteit vindt men waarschijnlijk in geen enkel ander kommunikatiesysteem. Het verplaatsingsvermogen. De mens is vrijwel uniek in zijn vermogen te denken en te spreken over dingen die in tijd of plaats (of beide) ver van hem verwijderd liggen. Dit verschijnsel schijnt zelfs in de vokale kommunikatie van de hoogst ontwikkelde apen geen rol te spelen, hoewel men een verplaatsingsvermogen wel terug vindt in het dansen van bijen. Deze dansen namelijk sneller naarmate de bron van de nektar, waarheen men de andere individuen wil meenemen, dichter bij is. Overigens staat dit dansen van bijen niet in relatie tot een bepaalde gemoedstoestand en doet men er misschien beter aan dit te beschouwen als een fysiologische levensverrichting, dan, zoals Hocket doet, als een vorm van kommunikatie. Het is echter moeilijk in dit opzicht een duidelijke grens te trekken. De overdracht geschiedt door middel van onderwijs. Bij dieren is de taal in sterk overwegende mate, zo niet geheel, erfelijk bepaald. Ganzen bijvoorbeeld bezitten ook enkele lokroepen, die de wijze van plaatsverandering aangeven. Reeds de kleinste kuikens reageren hier feilloos op de fijne schakeringen tussen weggaan, wegzwemmen en wegvliegen. Deze en andere waarnemingen wijzen er op, dat ieder ganzen-individu bij zijn geboorte een hele signaalcodex van uitdrukkingsbewegingen en uitdrukkingsgeluiden meekrijgt. Zowel het vermogen deze signalen voort te brengen als de kunst er op de juiste wijze op te reageren zijn aangeboren. Ditzelfde verschijnsel treffen we ook aan bij de individuen van andere, hogere diersoorten; in het bijzonder wanneer deze groepsgewijze door het leven gaan. Het is verder zinvol er hier op te wijzen, dat de geluiden van dieren meestal „mechanisch" ten gehore worden gebracht. Er bestaat vrijwel nooit de bewuste intentie een soortgenoot te beïnvloeden. Meestal zijn de geluiden een soort reaktie op een bepaalde stemming of situatie. Typerend is in dit verband dat ook in eenzaamheid (bv. in gevangenschap) opgegroeide dieren, zodra ze in de bijbehorende
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's