Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 119

2 minuten leestijd

Chemische beschouwingen over het ontstaan van leven op aarde

91

opvatting aan, dat viren buiten de levende cel niet tot zelfvermeerdering in staat zijn. Dat een dergelijk bezwaar veel aan kracht heeft ingeboet hoop ik later aan te tonen. In de tweede plaats valt op, de hoge mate van organisatie, welke nodig is voor een „simpele" condensatie van aminozuren tot specifieke proteïnen. In feite is het mechanisme der proteïne-synthese in de levende cel nog veel gecompliceerder dan uit het bovenstaande blijkt. Kleine deeltjes, evenals het tabakmozaiekvirus bestaande uit nucleïnezuur en eiwit, worden in het cytoplasma van de cel aangetroffen en fungeren daar als de fabrieken van enzymen en andere voor het organisme specifieke proteïnen. Men kan ze met de electronenmicroscoop waarnemen en met de ultracentrifuge isoleren. Op een in het najaar van 1960 te Wassenaar gehouden internationaal symposium (15) werden deze deeltjes (ook wel ribosomen genoemd) als fundamentele levenseenheden bestempeld. Ook hier is de informatie gelocaliseerd in het RNA en komt de assemblage van de proteïnebouwstenen aan het oppervlak van deze RNA-matrijzen tot stand. Elk aminozuur heeft zijn eigen karakteristieke plaats op de matrijs, en weet deze te herkennen via een ingenieus mechanisme. Na voorafgaande activering wordt het aminozuur gebonden aan een RNA molecuul van laag molecuulgewicht (±: 25000). Dit RNA maakt zelf geen deel uit van de bovengenoemde matrijzen, maar fungeert als transporteur van het aminozuur naar de matrijs en gaat daar waarschijnlijk een interactie met het hoogmoleculaire RNA van de matrijs aan, waardoor het aminozuur zijn specifieke plaats vindt. De interactie tussen laag- en hoogmoleculair RNA vormt momenteel een van de meest fascinerende objecten van onderzoek, daar wij hier stuiten op het fundamentele probleem van de overdracht der biologische informatie. In figuur 2 is de realisering van deze overdracht op hypothetische wijze in beeld gebracht. Deze voorstelling van zaken sluit aan op andere voorstellingen, verband houdende met de celdeling en de overdracht van genetische informatie van moeder- op dochtercel (vide infra). Ribonucleïnezuur-ketens zijn opgebouwd uit een groot aantal mononucleotiden, welke door phosphodiester-bruggen met elkaar zijn verbonden (zie figuur 1). In de karakteristieke opeenvolging der mononucleotiden, waarvan er (behoudens enkele uitzonderingen) slechts vier verschillende zijn, is een code verborgen welke de informatie van het molecuul bepaalt. Een ander nucleïnezuur kan met het eerste een interactie aangaan, als het op complementaire wijze op het eerste past. De complementariteit bestaat n.l. hierin, dat adenine (A) waterstof-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 119

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's