Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 277

2 minuten leestijd

DE TAAL ALS MENSELIJKE UITINGSVORM

229

monddelen, heeft niet onwaarschijnlijk mee tot deze ontwikkeling bijgedragen. U zult in het voorafgaande nogal eens de woorden „waarschijnlijk", „vermoedelijk", „niet onmogelijk" zijn tegengekomen. In een beschouwing als deze kan dat moeilijk anders. Er zijn nu eenmaal nauwelijks direkte gegevens waarvan kan worden uitgegaan. De taal als zodanig is niet fossiliseerbaar. Meer onderzoekers zijn echter de laatste tijd door vergelijkbare en andere redeneringen tot de stelling gekomen dat de gearticuleerde spraak vermoedelijk in het Aurignacien zijn begin had. Ik noem U Paget (1951), Pumphrey (1951) en Haldane (1952, 1955). Paget ziet in deze late opkomst van de articulatie tevens een verklaring voor de lange duur van het Oud Paleozoicum met zijn kenmerkende vuistwiggen. Het is interessant hier op te merken dat een eerdere generatie van paleoanthropologen geneigd was reeds aan de PithecanthropusSinanthropus groep het gearticuleerde spraakvermogen toe te kennen (Ellliot Smith, 1927; Tilney, 1928; Black, in Black et al, 1933), doch dat Haeckel (1872) nog voor de eerste resten van deze wezens ontdekt werden, sprak van de Pithecanthropus alalus, d.w.z. de niet articulerende aapmens. De positieve kinvorm De vraag komt nu op of er ook in de fossiliseerbare delen van de prehistorische mens aanwijzingen te vinden zijn voor deze vermoedens. Vooral de ontwikkeling van de menselijke kin is dan een onderwerp, dat in de loop der jaren een zeer grote belangstelling getrokken heeft en waarover een uitgebreide literatuur is ontstaan. Reeds Linnaeus was er van overtuigd dat de zogenaamde „positieve kin" van de tegenwoordige mens als een specifiek menselijk kenmerk moet worden beschouwd. Het lag daarom voor de hand dat er verband werd gezocht tussen deze kinvorm en de gearticuleerde menselijke spraak. Anatomisch wordt er van een positieve kin gesproken wanneer de benige kinpunt (het gnathion) ligt vóór de voorste rand van het gebitsuitsteeksel (processus alveolaris), dus vóór het infra-dentale. Trekt men een lijn langs het infra-dentale en het gnathion en snijdt men deze met een raaklijn langs het basale deel van de onderkaak (mandibula), dan is de ingesloten hoek kleiner dan 90. Is deze hoek onge-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 277

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's