1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 86
62
P. GROEN
In 1934 (Joos) was dit aantal inmiddels met twee toegenomen: sinds 1932 kende men behalve het proton en het electron ook het positron (Anderson) en het neutron (Chadwick). Opvallend is dat reeds in die tweede druk van het boek van Joos (1934) een apart hoofdstuk is, dat tot titel draagt „Kernphysik", overigens maar 15 blz. beslaande.... (van de 630). En thans — elementaire deeltjes zijn er in horden, zoveel dat ze niet eens meer allemaal nette namen hebben gekregen. Overigens is zelfs het begrip „elementair deeltje" door deze ontwikkeling enigszins relatief geworden. — En de kernphysica, die is haast een wetenschap op zichzelf geworden; vooral sinds de „uitvinding" van de kernenergie! — Ik herinner me nog goed die publikatie in „Die Naturwissenschaften" (van Hahn en Strassmann, januari 1939) waarin voor het eerst melding gemaakt werd van de splijting van uraankernen in twee grote brokstukken (nadat men eerst gedacht had door de beschieting met neutronen transuranen te hebben verkregen). Dat was kort voor de Tweede Wereldoorlog. Door die oorlog en na die oorlog kregen we de zg. atoombom en de kernenergie. Vooral de ontwikkeling van die laatste, de kernenergie, heeft het natuurkundig bedrijf over de hele wereld een enorme injectie gegeven. En dat betreft niet alleen de kernphysica. Ik denk hier bijv. aan de pogingen om de kernfusie-energie te „temmen", welke pogingen een heel aparte tak van de natuurkunde, de zg. plasmafysica, tot ontplooiing gebracht hebben, en nog steeds brengen; de plasmafysica en de magnetohydrodynamica, d.w.z. de fysica van zo goed als geheel geïoniseerde media en de stromingsleer van electrisch-geleidende vloeistoffen in een electromagnetisch veld. Deze magnetohydrodynamica is overigens niet alleen van belang voor de problematiek van de gezochte kernfusie-reactor (thermonucleaire reactor), maar ook voor de astrophysica en de geophysica. Zowel in de atmosferen der sterren alsook in de allerbuitenste regionen van de dampkring van onze aarde hebben wij immers eveneens te maken met plasma's, met in hoge mate geïoniseerde media. Wat die allerbuitenste regionen van de aardatmosfeer betreft, weten we sinds 1958 dat zij zich tot op 80.000 km uitstrekken, d.i. tot 12 aardstralen of tot 1/5 van de afstand tot de maan. Onze kennis hieromtrent dateert dus van het Internationale Geofysische Jaar en is te danken aan de kunstmatige satellieten en maanraketten. Het is het aardmagnetische veld dat in deze regionen (de zg. „stralingsgordels") de geladen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's