1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 279
DE TAAL ALS MENSELIJKE UITINGSVORM
231
onder invloed van aanhechting van mimische spieren ontstaan; de kaakoppervlakte is hier volkomen glad. De genoemde spieren zijn bij de mens niet alleen van betekenis voor de mimiek, maar spelen ook een rol bij het gearticuleerd spreken. Op deze wijze zou er toch een verband gelegd kunnen worden tussen de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de mens. Op zichzelf is deze redenering zeer aantrekkelijk, maar zoals uit het vervolg zal blijken kan dit niet de enige oorzaak zijn voor het ontstaan van de positieve kinvorm. Bovendien is het zeer de vraag of deze spierontwikkeling een noodzakelijke voorwaarde was voor het ontstaan van de gearticuleerde spraak, dan wel slechts heeft bijgedragen tot een verdere differentiatie daarvan. Een aantal andere hypothesen gaat er van uit dat de oorzaak van de recente menselijke kinvorm vooral gezocht moet worden in een dorsaalwaartse terugtrekking van het alveolaire gedeelte van de onderkaak. a) Schwalbe (1899), Weidenreich (1938), e.a. hebben gewezen op de betekenis van de rechtopgaande houding van de mens, waardoor de voorste ledematen voor een andere funktie vrij kwamen en zich tot armen met handen konden ontwikkelen. Hierdoor kwam het gebruik van wapens op en verviel de funktie van de kaken als aanvals- en verdedigingswapenen. Het gebit behield slechts de meer alledaagse taak van het kauwen van het voedsel en onderging een reduktie. Wat natuurlijk niet impliceerde dat de oudste mensen daarom minder agressief waren. Deze verklaring is niet steekhoudend. Bij de Neanderthaler vinden we een negatieve kin. Toch ligt de grootte van het gebit van de Homo neanderthalensis, evenals zelfs ook dat van de Homo heidelbergensis, geheel binnen de variatiebreedte van de recente mens. Bovendien trad de rechtopgaande gang reeds veel eerder in de geologische geschiedenis op, zoals bij PithecanthTopus en de Australopithecinae. Ook het gebruik van werktuigen en de reduktie van het gebit traden reeds in een ver pre-Neanderthal stadium op. Denken we hier slechts aan de kleine hoektanden van Australopithecus en de nog kleinere caninae van de Zinjanthropus. Ook een invloed van de tandwisseling moest in dit opzicht uitgesloten worden geacht. b) In de tweede plaats heeft men gedacht aan de breedte-ontwikkeling van het voorste gedeelte van de schedel. Doch, zoals Van den Broek opmerkt, „ook te dien opzichte bestaat er geen belangrijk verschil tussen de Neanderthaler en de recente mens; wel bestaat er een verschil tussen de mens en de anthropomorfe apen. Dat kleine been-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's