Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 280

2 minuten leestijd

232

A. A. MANTEN

stukjes in het kingebied, de ossicula mentalia, de oorzaak van een kinontwikkeling zouden zijn is nauwelijks aan te nemen." c) Broekman (1959) is, als tandarts, van mening dat men in de vroegere beschouwingen te weinig aandacht besteed heeft aan de ontwikkelingsgang van het tand-kaakstelsel als organische eenheid. In dit stelsel hebben zich in de ontwikkelingsgang der hominiden een reeks veranderingen voorgedaan, die men slechts kan verklaren door uit te gaan van een disharmonische reduktie, waarvan meerdere dentomaxillaire (-faciale) afwijkingen het gevolg zijn. In zijn beschouwingen kent hij een grote betekenis toe aan het voorkomen van de zgn. distaalbeet of mandibulaire micro-gnathie, een afwijking waarbij de bovenkaak te ver over de onderkaak heengrijpt. Indien bij deze afwijking de oorzaak gezocht moet worden in een te grote bovenkaak, zou dit, volgens Broekman, betekenen, dat zich bij de hominiden weer opnieuw een dierlijke snuit ging vormen. „Afgezien van het hoogstonwaarschijnlijke en zelfs belachelijke van deze veronderstelling zou men bovendien vastlopen tegen het irreversibele karakter der evolutie." „Wanneer de mandibula in zijn geheel te klein zou zijn, moest dit tot uitdrukking komen in een dorsale positie van de kin. Bij de dekbeetpatiënt wordt echter juist dikwijls een prominente kin waargenomen." Volgens Broekman is er daarom geen andere konklusie mogelijk, dan dat het alveolaire deel van de onderkaak een min of meer belangrijke reduktie heeft ondergaan. d) Dezelfde auteur acht het aannemelijk dat bij de vorming van de positieve kin ook de verminderde funktie van de tong bij de spijsvertering (ontdekking van het gebruik van vuur, bereiding van het voedsel) een bijdrage geleverd heeft, doordat dit mede tot een reduktie van het alveolaire gedeelte van de mandibula heeft geleid. Op grond van de voorgaande beschouwingen volgt dus onvermijdelijk de konklusie dat het ontstaan van de positieve kin bij de mens een multicausale oorsprong moet hebben gehad. Deze kinvorm zonder meer te beschouwen als kriterium voor de opkomst of het bezit van de gearticuleerde spraak gaat te ver. Dit impliceert echter dat volstrekte zekerheid inzake het tijdstip waarop de mens gearticuleerd begon te spreken, moeilijk te verkrijgen zal zijn. Reeds lang voordat de mens een positieve kin bezat, kende hij het gebruik van vuur en van werktuigen en getuigde een begravingsritueel van een geloof in een voortbestaan na de dood. Dit kenmerk kan dan ook evenmin als kriterium dienen waarop de menselijke

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's

1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 280

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's