1961 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 252
204
G. A. LINDEBOOM
en verraadt enige twijfel, of wel de juiste weg gekozen is. Het valt immers niet te ontkennen: wij versnipperen onze krachten, vermenigvuldigen de vergaderingen, en veroorloven ons de luxe van twee tijdschriften, die ten dele hetzelfde terrein bestrijken. Intussen; thans is geen terugkeer meer mogelijk. Bij alle goede wil van beide zijden is men niet verder kunnen komen dan tot het besluit zo mogelijk jaarlijks één gemeenschappelijke vergadering te houden, waarmede althans een zeer bescheiden vermindering kan worden verkregen van het grote aantal vergaderingen, waarop de Christelijke artsen worden verwacht, en bovendien een zeker onderling contact mogelijk wordt. Dit neemt niet weg, dat het naar mijn gevoelen voor onze Vereniging wel zeer noodzakelijk is, de huidige situatie grondig onder ogen te zien in verband met de te verwachten toekomstige ontwikkeling. Immers een vrij groot deel van de leden der P.C.A.O. behoort thans ook nog tot de onze, omdat ze dat in de vervlogen decenniën zijn geweest en een gegroeide liefde dringt tot trouw. Het is echter te voorzien, dat de nieuw aankomende artsen zich meer en meer uitsluitend tot hun eigen Protestants-Christelijke Artsen Organisatie zullen wenden, omdat ze daar — en, sinds onze medische sectie niet meer vergadert, daar alleen — werkelijk alle vragen kunnen bespreken of besproken krijgen, die voor deze groep van belang zijn; wanneer men afziet van het betrekkelijk gering aantal thans aanwezige medische adspirantleden, binden hen geen historisch-gegroeide banden meer aan onze organisatie. De groei van onze Vereniging in ledenaantal laat toch al te wensen over, ook al is dit sinds 1943, toen het 226 bedroeg, meer dan verdubbeld. Meer dan de helft daarvan, 130, waren destijds artsen. Over de huidige verhouding van het aantal medici tot de natuurfilosofen kan ik U helaas geen inlichtingen geven, omdat onze administratie op dit punt tekortschiet en dringend aanvulling behoeft. Op 1 januari 1961 telde onze Vereniging precies 500 leden, plus nog 168 adspiranten. Op 1 januari 1956 waren deze getallen 468 en 226. Het aantal stemgerechtigde leden is in de laatste vijf jaar dus met 32 toe-, dat der adspirantleden met 37 afgenomen. Het algemene totaal (689 tegen 694 in 1956) is vrijwel gelijk gebleven. Dit betekent dus een stilstand, die temeer opvalt bij de grote aantallen afgestudeerden, die voor het lidmaatschap in aanmerking komen. Deze stilstand verdient te meer aandacht, daar het zich, zoals ik betoogde, laat aanzien, dat het aantal medici onder ons in een ,1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 308 Pagina's