1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 184
142
G. A. LINDEBOOM
Zo is de opmerking, dat iedere waarnemer reeds lang weet, „dat elke felle anti-homosexuele uiting meer informatie geeft over de spreker d a n over het door h e m bestreden verschijnsel" een ontoelaatbare en onvoorzichtige generalisatie, die tot een wederwoord zou kunnen nodigen i). Voorts roept de opmeiking, dat „in de toekomst een Aziatisch sociaal-psycholoog zich wellicht evenzeer verwonderen zal over onze vooroordelen ten opzichte van de paraphilieen, als wij het ten opzichte van hen h e b b e n gedaan inzake d e positie der vrouw in d e Oosterse samenleving", toch de ernstige vraag op, wat de auteur h i e i m e d e nu bedoelt. D e hier geopperde mogelijkheid zij onmiddellijk toegegeven — maar wat wil er m e d e gezegd zijn? D a t hier volkomen vergelijkbare grootheden worden aangehaaldi^ D a t die hypothetische Aziaat het bij het rechte eind zou h e b b e n ? T e gemakkelijk handelt d e auteur af met d e opvattingen van de homosexualiteit als ontwikkelingsstoornis of als gevolg van een structurele fout van psychische of physieke aard 2). Dit zijn voor h e m niet meer dan ficties der medische wetenschap, w a a r m e d e deze wel mag werken, als ze dat nuttig oordeelt, maar die in het sociale of moiele denken weinig betekenis kunnen hebben. Men zou denken, dat dan nu het ogenblik gekomen zou zijn iets over d e ethische waardering der homosexualiteit te zeggen, maar neen, nu volgt een charge tegen de verdachtmaking, dat homosexuelen meer dan heterosexuelen geneigd zoulen zijn contacten met kinderen te leggen. E e n dergelijke betoogtrant bevredigt niet, zulks te meer, waar deze 2) Men denkt hier onwillekeurig aan de bijdrage van prof. G. Th. Kempe (criminoloog te Utrecht), getiteld: Maatschappelijke aspecten van homophilie, verschenen m: Pastorale Cahiers No. 3 (Overing c.s. Homosexualiteit, Hilversum, 1961), welke opvalt door bijzonder felle uitingen over de beoordeling van homosexualiteit door en m de maatschappij Men leest daar mtdrukkmgen als maligne mythologie, vileinige mythe, vergiftigde volkssentimenten, etc , ad nauseam. Mij dunkt, met dergelijke onnodig en exorbitant felle anti-anti- homosexuele charges bereikt men niets; met zo zwaar geschut schiet men volkomen over het doel heen. Overigens zij er hier aan herinnerd, dat Kempe m het begin van zijn voordracht als zijn mening te kennen geeft dat „de criminoloog als zodanig de meest ongeschikte figuur is om beschouwingen over homophilie te houden". Indien dit juist is, zou men dit dienen te verdisconteren in het oordeel over beschouwingen van criminologen over homosexualiteit. 2) Zie vooral: J L. Arndt Een bydrage tot het inzicht m de hom.oseksualiieit. Geneesk. BI. 50ste reeks, no. 3, Bohn, Haarlem, 1961.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's