1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 218
172
F. H. PRUIJS
veroorzaken of provoceren) geeft aanspraak op een irrationele superioriteit, zonder dat dit leed op enige wijze vrucht heeft gedragen voor de naaste. Ik weet dat ik U met deze vluchtige aanduidingen niet zal kunnen overtuigen, doch het zal U anderzijds toch niet verwonderen dat de „Gottahnlichkeitswahn"" die volgens het getuigenis van de Bijbel de zonde was waarmee de Slang in het Paradijs ons geslacht ten val bracht, diepte-psychologisch zulke duidelijke en frequente sporen heeft nagelaten. Een Nederlands dichter heeft het durven uitspreken: „Ik ben een God, in het diepst van mijn gedachten" en de morele verontwaardiging die deze dichtregel destijds heeft opgeroepen is een indicatie voor de kracht waarmee wij deze gedachte hadden verdrongen. Indien U dit een ongemotiveerde beschuldiging acht, mag ik U misschien herinneren aan onze afkeer van en morele verontwaardiging over de homosexualiteit. Ook hier is de verontwaardiging het grootst bij diegenen bij wie de latente homosexuele neiging het sterkst is, dus de verontwaardiging en afkeer is recht evenredig met het gevaar dat men zelf loopt. Dat deze (pseudo-) morele verontwaardiging zo algemeen verspreid is, bewijst dus dat de neiging tot homosexuele relaties voor de mecsten onzer vlakbij ligt. En wéér bestaat het vreemde, het oninvoelbare van deze lijders, die hun een recht op eenzaamheid schijnt te garanderen, wéér bestaat het vreemde niet uit zijn ver van ons afstaan, doch uit zijn te dichtbij staan: hij komt ons te na en daarom moeten wij ons zo duidelijk mogelijk van hem distantiëren. Indien U dit een bedenkelijke manier van argumenteren vindt, daar het de schijn heeft of ik de ene onbewezen stelling met de volgende tracht te bewijzen, dan moge ik U nog wijzen op Romeinen 2 : 1 : „Daarom zijt gij niet te verontschuldigen o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf, want gij die anderen oordeelt doet dezelfde dingen". En in vers 21 en volgende verzen luidt het: „Die dan een ander leert, leert gij uzelf niet? Die preekt dat men niet stelen zal, steelt gij? Die zegt dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? Die op de Wet roemt, onteert gij God, door de overtreding der Wet?" Een ongelovige therapeut zou hiervan kunnen zeggen, dat Paulus (als alle grote schrijvers) een diep inzicht had in het afweermechanisme van de projectie. Intussen durft de psychologie niet zo ver te gaan als Paulus en zou zij slechts spreken van de verdrongen wens om te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's