1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 40
28
J. R. VAN DE FLIERT
schappelijke onderzoekmethoden is aan het licht gekomen dat de geschiedenis der mensheid veel verder terug gaat dan vroeger wel verondersteld werd ook al wordt, dacht ik, meer en meer duidelijk dat de vraag naar de genetische oorsprong van de mens zich aan een natuurwetenschappelijke beantwoording onttrekt. Duidelijk is b.v. wel geworden dat ten aanzien van oude anthropoide fossielen de morfologische criteria niet toereikend zijn om de fundamentele vraag: menselijk of dierlijk? te kunnen beantwoorden. Maar behalve het fragmentarisch karakter van het fossiele materiaal is tevens een radicale grens aan onze wetenschappelijke mogelijkheden daarin gesteld dat heel ons wetenschappelijk onderscheidingsvermogen ook hier gebaseerd is op een dit vermogen bepalende voorwetenschappelijke onderscheiding tussen mens en dier die ik slechts als een geschapen mogelijkheid kan erkennen maar nooit wetenschappelijk transcenderen kan omdat juist omgekeerd mijn wetenschappelijke mogelijkheden daarvan afhankelijk zijn. Betrouwbare criteria kunnen uiteindelijk alleen zijn de culturele overblijfselen die de fossiele mens als „mens van gelijke beweging als wij" kwalificeren. En daarom zijn overgangen tussen mens en dier in letterlijke zin on-dènk-baar. De ontkenning daarvan zowel in die zin dat men meent op grond van morfologische kenmerken overgangen tussen mens en dier te kunnen aanwijzen als ook de voorstelling van z.g. pre-adamieten die dan wel reeds zekere menselijke eigenschappen zouden bezitten die ze van de dieren onderscheiden maar geen adamieten zouden zijn is daarmee dunkt mij naar beide zijden als speculatieve fantasie af te wijzen.
Enerzijds wijzen wij dus af dat het natuurwetenschappelijk spreken over het verleden iets te zeggen zou hebben over de oorsprong en daarmee ook over de zin der schepping, over de alpha en daarin dan ook over de omega. Dat betekent bijvoorbeeld dat wij de geldigheid van Teilhard de Chardin's pretentie dat hij in zijn „Phénomène humain" niet anders zou geven dan „een natuurwetenschappelijke verhandeling van het verschijnsel" ontkennen. Daartegenover stellen wij dat het antwoord op de vraag naar de grenzen van onze wetenschappelijke ken-mogelijkheden afhankelijk is van de vraag: Wie en wat is de mens, en dat zeer persoonlijk in de vraag: Wie ben ik die natuurwetenschappelijk over het verleden spreek. Het antwoord op die allesbeheersende vraag kan alleen maar een geloofsantwoord zijn, waarbij de christen zich weet door God
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's