1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 42
30
J. R. VAN DE FLIERT
te bezien en de vraag te stellen, mede naar aanleiding van een werkelijkheid omtrent het verleden die via de natuurwetenschap in het zicht gekomen is, of men niet, met wat voor goede bedoelingen misschien ook, hetzij in de argumentatie ter synode, hetzij ook daarbuiten, in de exegesen van de eerste hoofdstukken van Genesis in gereformeerde kringen in binnen- en buitenland, aan de Schrift een natuurwetenschappelijk beeld over het verleden heeft opgedrongen dat haar in wezen vreemd is. Of hier niet inderdaad sprake is van een beeld dat terecht door de moderne beeldenstormer der reformatorische kerken, Karl Barth, is stukgeslagen — afgezien natuurlijk van de vraag of zijn methode juist is en van de grondvraag of hij, ongewild en onbedoeld, er niet een ander bééld voor in de plaats stelt. Want het tweede gebod eist van ons niet alleen dat wij ons geen gesneden beeld zullen maken van hetgeen onder op de aarde is om ons daarvoor neer te buigen, maar ook van hetgeen boven in de hemel is. Het signaleren van het eerste gaat ons als gereformeerden naar het schijnt gemakkelijker af dan het tweede. Idoolvorming door vergoddelijking van het geschapene en verabsolutering van zijn aspecten kunnen we ook vandaag nog wel aanwijzen bij de niet-christelijke wetenschap die het menselijk denken soeverein heeft verklaard en daarover met de profeet profeteren dat ook deze mens zich neerbuigt voor het werk van zijn eigen handen (Jes. 44 : 6-20). Het tweede kost misschien daarom zoveel meer moeite omdat het hier juist de zonde van de kerkmensen van alle eeuwen betreft, mensen wier deel hebben aan de zondeval van Adam en Eva in het paradijs, mèt de gehele mensheid, zich vandaag onder meer uit in biblicistische of z.g. „fundamentalistische" speculaties, waardoor, ook ongewild en niet bedoeld, maar in feite dan toch maar de betrouwbaarheid van het Goddelijk Openbaringswoord afhankelijk wordt gemaakt van een menselijk min of meer wetenschappelijk wereldbeeld. Want wie bijvoorbeeld het Bijbels getuigenis over de Schepping in Genesis 1 als historische geologie of kosmogonie wil verstaan die heeft inderdaad de grens tussen God en schepsel uitgewist. En daarom staan we ook vandaag in ons verstaan van en handelen met Gods Woordopenbaring èn Zijn Scheppingsopenbaring onder de spanning van het tweede gebod. Als mensen ook die naar het Woord van Jezus „als de kinderen" zullen moeten willen worden of ook het Job moeten leren naspreken: „Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond" (Job 39 : 37).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's