Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 37

2 minuten leestijd

BIJBEL EN NATUURWETENSCHAP OVER HET VERLEDEN

25

Er is, geloof ik, reden om ons met verwondering af te vragen hoe het mogelijk is dat wij verantwoord kunnen spreken over dit verbazingwekkende materiaal dat in de ontsluitingsfase der schepping waarin wij leven van Godswege op onze werktafel wordt gelegd. Mensen die ten opzichte van dit geologisch verleden ééndagsvliegen zijn en die, wanneer ze althans nog over dit verleden nadenken, weten dat hun bestaan, hun positie en hun mogelijkheden volkomen worden bepaald door wat buiten hun eigen beslissing om over en voor hen is geschied door het voorgeslacht waaruit ze voortgekomen zijn en die zo met handen en voeten gebonden zijn aan die zo gegroeide gemeenschap waarin zij hun taak te vervullen krijgen. Niettemin geloven wij dat de mens in deze tijd een blik geopend is op een verleden dat veel verder terug gaat dan zijn eigen geschiedenis. En wanneer ik dit zeg impliceert dat, dat dit geologisch verleden voor menselijke ogen ook inderdaad — althans tot op zekere hoogte — zichtbaar is, dat wil dus zeggen: creatuur van dezelfde (scheppings)orde moet zijn als die waartoe de mens zelf behoort. Want de mogelijkheid van zijn spreken over en werken met het fossiele materiaal blijft gebonden aan zijn actuele ervaring van de schepping in gemeenschap met de samenleving waarin hij is geplaatst. Ook mijn kennis en inzicht in het verleden der organische evolutie kan alleen maar menselijke, creatuurlijke, kennis zijn, gebonden aan de creatuurlijke mogelijkheden van voorwetenschappelijke — „naieve" — en wetenschappelijke ervaring in mijn eigen persoonlijk leven. Om van deze fundamentele maar toch ook eenvoudige voorveronderstellingen maar weer enkele concrete voorbeelden ter illustratie te noemen: Het is mij onmogelijk om aan een fossiel waarvan het bouwplan identiek is aan het van een vis, aan enig ander organisme toe te schrijven dan aan een waterdier dat wij vis noemen. Eveneens is het onmogelijk om aan een fossiel roofdiergebit een andere functie toe te schrijven dan die welke we uit directe ervaring bij de roofdieren kennen. En eveneens kunnen wij niet anders dan elk fossiel rekenen tot een soort, voorzover wij ons daarvan in de ervaring van de levende werkelijkheid om ons heen een begrip hebben gevormd. Dat houdt onder meer in dat aan alle fossiele soorten dezelfde vormen van intraspecifieke variabiliteit worden toegekend als aan de recente, een intraspecifieke variabiliteit die we in het fossiele materiaal — althans ten dele — ook herkennen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's

1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 37

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's