1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 265
ENIGE OPMERKINGEN OVER RUIMTE, TIJD EN DIMENSIES 213 spreken — wanneer althans het „voor" in eigenlijke zin bedoeld zou zijn. En nu deze vraag: in hoeverre kunnen we van de tijd als van de vierde dimensie (in de meetkundige betekenis) spreken? Deze vraag kunnen we méér of minder serieus nemen. Om met het laatste te beginnen — we kunnen de zaak natuurlijk enigszins formeel opvatten en op de gestelde vraag antwoorden: dat is een kwestie van afspraak, van definitie. We kunnen immers door een kleine uitbreiding aan het begrip „dimensie" (in de meetkundige betekenis) te geven naast de drie dimensies van de ruimte ook de tijd als een dimensie bestempelen; dat is een kwestie van naamgeving. Doch er zit hier meer aan vast. We kunnen deze zaak ook minder formeel beschouwen en dan constateren dat het sinds de relativiteitstheorie óók een diepere zin heeft de tijd vierde dimensie te noemen — geen vierde ruimtelijke dimensie natuurlijk, maar vierde kosmische dimensie. De verschijnselen, die in de relativiteitstheorie (een ongelukkige naam!) tot uitdrukking komen, hebben ons geleerd dat ruimte en tijd a.h.w. aan elkaar verwant zijn; dat zij in hoger verband gezien opgevat kunnen worden als verschillende aspecten (zij 't ook niet tot elkaar te herleiden aspecten) van een beide omvattende vierdimensionale eenheid. Dit gaat zelfs zó ver dat we bij twee bepaalde voorvallen, die in ruimte en tijd gescheiden zijn, niet meer ondubbelzinnig van één bepaalde ruimterelatie (afstand) en één bepaalde tijdsrelatie (tijdsverschil) tussen die twee voorvallen kunnen spreken, doch alleen van één complexe ruimte-tijd-relatie: hoe laatstgenoemde ontleed kan worden in een afstand en een tijdsverschil hangt van de bewegingstoestand van de waarnemer af. Zo is het dus mogelijk dat één waarnemer de twee voorvallen als gelijktijdig en alleen ruimtelijk gescheiden constateert, terwijl een andere (t.o.v. de vorige in beweging zijnde) waarnemer met evenveel recht dezelfde twee voorvallen als na elkaar plaats vindend, dus óók in de tijd gescheiden, waarneemt i). Hier zou men dus van de mogelijkheid van een zekere „menging" van tijd en ruimte kunnen spreken (zonder dat we zouden moeten zeggen dat er van verwarring sprake is). Een ander gezichtspunt dat ruimte en tijd a.h.w. aan elkaar verwant doet zien is het volgende. We zullen hierbij weer even omschakelen op het gebruik van het woord „dimensie" in de fysische bete^) Voor een uitvoeriger behandeling van deze zaken zij de geïnteresseerde lezer weer verwezen naar het eerder genoemde zeer instructieve artikel van Prof. Fokker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's