1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 208
162
R. HOOYKAAS
zijn". Wat wij zien is „noch een totale uitsluiting, noch een duidelijke aanwezigheid". God, zoals wij Hem uit de natuur kennen, blijft een verborgen God. Ook gaat Hij het menselijk begrip zover te boven, dat wij Hem niet kunnen uitdenken; onze verhevenste begrippen over Hem zijn even ver van de waarheid verwijderd als de meest primitieve. Er is geen weg van de mens naar God; wij kunnen op geen enkele wijze gemeenschap met Hem hebben, tenzij Hij zich openbaart en zegt hoe Hij gekend wil worden. Hij is de „God van Abraham, Izaak en Jacob, niet der philosophen". Hij openbaart zich in geheel andere vorm dan de mens zou verwachten: „Allen, die God zoeken buiten Jezus Christus en bij de natuur blijven staan, vinden geen enkel licht dat hen voldoet". De mens wil daar niet aan; hij is van nature een torenbouwer van Babel; hij wil geheel zelfverworven en absolute kennis, maar „het eindpunt waaraan wij ons willen vasthechten, breekt onder ons af, ontsnapt aan onze greep, ontglipt ons en vlucht met een eeuwige vlucht". Laat echter de mensen maar voortgaan met hun vergeefse zoeken, want zij zullen tenslotte uitgeput moeten erkennen, dat hun wetenschap en wijsbegeerte geen vrede schenken en niet tot God leiden. Dan zijn zij zo ver, dat zij niet langer over God spreken, maar God tot zich laten spreken: „Het is goed moede en uitgeput te zijn van het zoeken naar het ware goed, opdat men de handen uitstrekke naar de Bevrijder". Reeds het feit, dat de natuurwetenschap voor hem onaf is en een rationeel-empirisch karakter draagt, is voldoende haar ongeschikt te maken om er de religie op te funderen. Omgekeerd, meent hij niet uit de Schrift enige natuurwetenschappelijke kennis te verkrijgen. Natuurwetenschap en theologie verschillen geheel in karakter: men moet de moed der bange zielen die niets nieuws in de natuurwetenschap durven te vinden aanwakkeren en de onbeschaamdheid van hen die nieuwigheden in de theologie invoeren, vernietigen, zegt Pascal. Toch is er voor hem grote overeenkomst óók, want natuurwetenschap en theologie staan beiden tegenover het zonder meer gegevene, niet noodwendig rationele, resp. in de schepping en in de Schrift. Methodisch is de scheiding tussen natuurwetenschap en religie hier scherp en zuiver getrokken, maar in diepere zin hebben zij alles met elkaar te maken: dezelfde eerbied, die past tegenover het werk van Gods handen, past tegenover het Woord uit Zijn mond. Wij hebben niet aan te vullen of te veranderen, maar slechts gehoorzaam te aanvaarden en in bescheidenheid te trachten om „redelijk"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's