Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 264

2 minuten leestijd

212

P. GROEN

ook een bepaalde collectiviteit van richtingen (oriëntaties, óók relatief op te vatten). Dat de ruimte inderdaad drie-dimensionaal is, behoeft m.i. hier geen betoog: de natuurkunde komt in de beschrijving van het fysische gebeuren met 3 onafhankelijke richtingsdimensies uit. Dat men t.a.v. de kosmische ruimte wel eens van „gekromde" ruimte en van „ruimtekromming" spreekt, doet hier niet aan af. Immers wèl suggereert deze spreekwijze een vierdimensionale ruimte om de „gekromde" driedimensionale ruimte heen, doch dat is een gedachtenconstructie en de genoemde spreekwijze drukt in feite alleen maar uit dat de driedimensionale kosmische ruimte op een bepaalde maniet niet-Euclidisch is. Het is bekend dat men bijv. een niet-Euclidische vlakke meetkunde (2-dimensionaal) aanschouwelijk kan voorstellen door middel van de meetkunde op een gekromd oppervlak in een wèl-Euclidische 3-dimensionale ruimte; de derde dimensie is hier dus te hulp geroepen ter wille van onze voorstelling, die nu eenmaal moeite heeft met een niet-Euclidische meetkunde. Op soortgelijke wijze moet men ook het spreken over een gekromde ruimte in de kosmische fysica verstaan: als een gemakkelijke wijze van spreken om een bepaalde wijze van niet-Euclidisch zijn aan te duiden. Welke soort driemensionale meetkunde in de kosmische ruimte „geldt" (d.w.z. aan de eigenschappen van die ruimte aangepast is), hangt af van de fysische orde der dingen en gebeurlijkheden, van welker onderlinge relaties de ruimte immers een bepaald ,facet" vormt. We zullen op deze plaats hier niet verder op ingaan i). Wanneer wij thans eens op het verschijnsel van de tijd letten, dan kunnen we na het voorgaande gevoegelijk beginnen met te stellen dat, zoals de „ruimtelijkheid" van de fysische dingen en gebeurlijkheden, zo ook hun „tijdelijkheid" een fysische „hebbelijkheid" van de dingen en gebeurlijkheden is; dat ook de tijd niet iets zelfstandigs is, waarin de voorvallen a.h.w. ingebed zijn. Ook tijd, of liever tijdsduur, of tijdsinterval, is een relatie; een relatie, nu niet zozeer tussen de dingen als wel tussen voorvallen die zich aan de dingen afspelen. De tijd is dus één facet van wat de de intrakosmische relaties zouden kunnen noemen, van welke de ruimte een ander facet vormt. Zo gezien wordt het ook contradictoir om van ,,vóór de schepping" te ^) Een zeer lezenswaardig artikel van de hand van Prof. Dr. A. D. Fokker over deze materie vindt de lezer in Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 21 (9), 1961, 309—323.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's

1962 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 264

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 350 Pagina's