1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 267
GELOOFWAARDIGHEID VAN HET WONDER
217
reagens, dat op voor ons onverwachte wijze levenskrachten kan losmaken. Enige maanden voor zijn dood komt een boekje uit, waarvan de taal de godsdienstige uitdrukkingsvormen benadert. „Hoe vreemd het ook moge lijken, wij moeten als waar beschouwen dat wie vraagt, verkrijgt en dat aan wie klopt opengedaan wordt. Kortom, alles speelt zich af alsof God naar de mens luisterde en hem antwoord gaf" i). Hiermee zijn wij reeds van de feiten overgegaan naar hun duiding. Daarover handelen de volgende bemerkingen. Men hantere daarbij niet — zo zou ik weer willen stellen — het onderscheid tussen een „direct" ingrijpen Gods (bij het mirakel) en een indirect handelen Gods (elders). Een dergelijk onderscheid brengt ons welhaast onmiddellijk terug naar de middeleeuwse mirakelconceptie, die wij trachten te vermijden. De Schrift zelf vertrekt vanuit een ander ordenend beginsel dan de ons zo vertrouwde oppositie van wonder tegenover natuurwet. Daarom kan in een tekst als Mt. 11, 4 vv. onder de messiaanse tekenen niet alleen het genezen optreden van blinden, doven, melaatsen, lammen maar ook het „aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd". Wel kent de Schrift een onderscheid tussen een normale gang van zaken en meer abnormale gebeurtenissen; het wonder als uitzonderlijk gebeuren wordt niet opgeheven, omdat alles evenzeer wonder is (zoals bij meer 'primitieve' culturen). Maar anderzijds kent zij nog niet onze latere verzelfstandiging van het netwerk der natuurwetten, die leidt tot de deïstische visie op God als de „ingenieur in ruste". Veeleer ziet zij overal onmiddellijk Gods hand en zijn werk 2). Wanneer het ons zou gelukken de natuurkrachten niet meer te zien als staande „tussen" God en wereld, zou ook de behoefte wegvallen om het wonder daartegenover af te zetten. De scholastieke conceptie 1) A. Carrel, La Prière, Parijs 1944. In zijn Journal treft men reeds vanaf 1927 uitlatingen in die richting aan (cf. Monden o.c. p. 178). — Carrel is als rooms-katholiek gestorven. Ik vermeld dit, om hiermee in concreto iets te laten zien van de wervende kracht, die aan het wonder blijkt eigen te zijn. Men zal van mij willen aannemen, dat ik de conclusie niet als onontkoombaar zie. Wij bevinden ons hier niet op het vlak van het objectief-algemeengeldende. ^) Verg. het boeiende werkje van dr. A. de Groot S.V.D., De Bijbel over het Wonder, Roermond 1961; cf. ook Eph. Theol. Lov. 37 (1961), p. 813-846 (alwaar ook verdere literatuur). — Prof. G. C. Berkouwer (Dogmatische studiën, De Voorzienigheid Gods, 1950) wijst op dezelfde schriftuurlijke verbanden (p. 242 vv) en laat tevens zien, hoe de theologie over het wonder bij Bavinck en A. Kuyper juist vertrekt vanuit de afwijzing der verzelfstandiging van de natuur (p. 237 vv).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's