1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 150
116
H. M. KUITERT
en kwaad ; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven". De schrijver van deze tekst suggereert in elk geval dat ook de dood blijkbaar bij de scheppingsgegevens behoort. Gen. 1 zwijgt daarover. Gen. 2 ook, maar wanneer Gen. 3 op de paradijstraditie teruggrijpt, ziet de schrijver van deze regels het niet-sterven blijkbaar verbonden aan het eten van de boom des levens en niet aan een onsterfelijke natuur van de mens zelf. Om nog een woord uit Gen. 3 te noemen: het hoofdstuk begint met de slang als „het listigste van alle dieren des velds die de Here God gemaakt had" (vers 1). Het gaat hier om een dier, en wel uitdrukkelijk een dier dat door de Here God gemaakt is. Hoe kan (vooral gezien deze bijstelling) door dit dier de katastrofale sneeuwbal van de zonde aan het rollen gaan ? Moeten we zeggen : de schepping was blijkbaar niet zo goed of er bevond zich nog wel een slang tussen de schepselen ? Of zijn we — ik vraag maar vast — helemaal op de verkeerde weg met zulk soort vragen en lezen we niet wat de schrijver bedoelde te zeggen ? Om de verhalen uit Genesis een ogenblik te verlaten — het is bekend dat het thema van de schepping nog vele malen terugkeert in de H. Schrift. Ik zal daar straks nog wat uitvoeriger op terugkomen, met name op de aard van deze scheppingsverhalen. Een van de bekendste is Psalm 104 (vergelijk ook Job 38 en 39), waar intussen zowel de roofdieren als hun prooi beide dienen moeten om de lof van de Schepper te bezingen. Uitdrukkelijk wordt de dood van de dieren trouwens genoemd in vers 29. Dus toch zoiets als „strugle for life" als een scheppingsgegeven is) ? Het zijn maar enkele opmerkingen over de „goede schepping". Ik bedoel er allerminst mee dat we met behulp daarvan heel wat wetenschappelijke vondsten (b.v. die „struggle for life") in het scheppingsverhaal zouden kunnen inpassen. Het ging er slechts om te laten zien dat het woordje „goed" in Gen.l, 31 kennelijk overtrokken wordt als wij onder „goed" een paradijselijke idylle zouden vdllen verstaan. Dat staat er eenvoudig niet i4). Ik geloof dan ook dat we ons van heel de problematiek volmaakt/ onvolmaakt moeten losmaken, willen we niet voorbijzien aan wat er dan wel staat. Daarmee kom ik aan het tweede punt: wij hebben er niet alleen — onder dwang van een bepaalde aanpak — uit willen halen wat er niet in zat, maar tegelijk (en wellicht daardoor) over het hoofd gezien wat er dan wel in zit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's