1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 272
222
J. A. M. WETERMAN
vanuit een religieus zinverband, waaruit het nooit mag worden geïsoleerd. Aan het externe feit als zodanig blijft daarbij altijd iets tweeslachtigs en onbeslists hangen (vgl. Deut. 13, 1 w., Mc. 3, 22). Het onderscheid tussen de ware en de valse profeet, de ware en de valse wonderdoener valt niet met exacte middelen vast te leggen. Daarom juist blijft er ruimte voor de bijbelse „ergernis". „Er kan geen (wetenschappelijke) evidentie zijn, omdat het mirakel geen bewijs is maar een teken", heeft Leurret (de directeur van het medisch bureau te Lourdes) eens gezegd. Het wonder toont zich niet aan de neutrale toeschouwer. Men ziet het enkel, wanneer men er reeds „oog" voor heeft, reeds op enigerlei wijze binnen het zinsverband staat, waarin het als een vinger Gods verschijnt, verwijzend naar zijn komen. Het klinkt slechts, wanneer het als klankbodem een mens treft, die er 'gevoelig' voor is, die reeds enigermate ,,het nieuwe lied" verstaat. Het vraagt om een religieuze inzet, waarvoor het tegelijk een stimulans wordt. Het wordt slechts verstaan vanuit een reeds aanwezige verwachting, die er tegelijk door gevoed wordt. Haar eigenlijke context is de kerkelijke gemeenschap (cf. Mt 9 : 28 enz.). De wetenschap als zodanig krijgt dan slechts een bescheiden plaats, die enkel voorbereidend kan zijn. De geschiedenis kan hoogstens verklaren, dat zij geen reden ziet om dit bepaalde getuigenis omtrent een „vreemd" aandoend gebeuren te verwerpen; de natuurwetenschap kan nooit verder komen dan te stellen, dat hier feiten voorkomen, die zich voor alsnog niet laten invoegen. De keuze zelf — voor of tegen het mirakel als teken — behoort tot die beslissingen, welke wetenschappelijk niet verfiëerbaar zijn. Maar de wetenschap, bescheidener geworden — of liever, in haar zuivere plaatsbepaling altijd geweest — wil ook niet de gids zijn naar de diepste levensovertuigingen. Dat alleen werkelijkheid zou kunnen zijn, wat natuurwetenschappelijk door ons verklaard of geschiedkundig gemotiveerd is, is zelf een extrapolatie, een niet te bewijzen dogma. Het eigenlijke herkennen van Gods openbaring in het miraculeuse gebeuren is functie der kerkelijke gemeenschap. Daarbinnen heeft het een dienende functie. Het gaat niet om het mirakel maar om het geleefde leven, uit Gods hand aanvaard en voor zijn Aanschijn geleefd: om een geheelde wereld, die wij verwachten. Daaruit los gemaakt, verliest het mirakel naar het nieuwtestamentisch getuigenis zijn betekenis en kracht (vgl. bv. Mc. 8, 12; Lc. 16, 30 v.; Joh. 2, 23 vv.; 6, 26; 20, 29; Hand. 8, 4 vv.; 1 Cor. 1, 22). Maar anderzijds moet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's