1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 263
CELOOFWAARDIGHEID VAN HET WONDER
213
ontstaan voor het mirakel, juist omdat d e mens zich weer veel meer als onbehuisd gaat ervaren? Men zal de gang der geschiedenis moeten afwachten. In ieder geval zal het echter geen terugkeer betekenen tot de middeleeuwse scholastiek, wier mirakelbegrip zo sterk op d e latere r.k. theologie en ook op reformatorisch-scholastieke theologen heeft nagewerkt. Daarvoor steunt deze uitbouw van het mirakelbegrip te zeer op het zo juist besproken wereldontwerp van d e behuisde mens. D e nadruk viel daarbij op de causualiteit. Griekse — in een latere fase uitdrukkelijk Aristotelische — invloeden ordenden (met name sinds Anselmus v. Canterbury, gest. 1109) het mirakel binnen een geheel van oorzakelijke betrekkingen, dat door God als „eerste Oorzaak" werd omspannen. Greep deze God nu zelf „direct" in „buiten d e orde om van de gehele geschapen natuur" (Thomas V. Aquine) i) — en waarom zou Hij dat niet doen kunnen om wijze redenen? — dan sprak men van een mirakel. Het wonder werd dus primair als een machtsuitoefening Gods gevat en met zijn almacht in betrekking gesteld. Pas daarna en omwille van zijn externe verbinding met een „spreken" Gods, wordt het als een teken gezien van het Rijk, dat komende is 2). H e t tragische was, d a t hiermee juist h e t terugwdjken van het mirakel werd ingezet. Men had een trojaans paard t e hulp geroepen. Vanuit hetzelfde griekse wereldontwerp, waaruit d e middeleeuwse verdichting van het mirakelbegrip was ontstaan, begint ook zijn destructie. D e zich ontwikkelende natuurwetenschappen en d e critisch-neutrale geschiedbeschouwing beide suggereren steeds indringender, dat er — wanneer men de wereld benadert als een geheel van interfererende, wederzijdse betrekkingen — geen leemten blijken te zijn. H e t natuurproces zowel als de menselijke geschiedenis onthullen zich daarin als een immanent binnenwerelds geheel (Bultmann). Verhalen, die een direct ingrijpen Gods veronderstelden, bleken historisch niet houdbaar te zijn; feiten, die op het eerste gezicht wonderlijk leken, konden op natuurlijke wijze worden verklaard. D e God, „die d e gaten vult" (Bonnhoeffer) verviel, raakte in „woningnood" (D. Fr. Strauss). Theologisch gesproken: men had zich een godsbeeld gevormd, dat Hem op afgodische en bijgelovige wijze te 1) Minstens gaat het dan om een zodanig handelen Gods buiten de schepselinvloeden om, dat de schepseloorzaak zeker niet als causa principalis (als hoofdoorzaak) optreedt maar hoogstens als instrument (in de stricte zin) in Gods hand. Ook dit laatste echter valt soms weg en dan juist bereikt het mirakel zijn hoogtepunt. O cf. J. Hardon, Theol. St. 15 (1954) 229—257.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's