1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 269
GELOOFWAARDIGHEID VAN HET WONDER
219
voor de moderne mens zo kenmerkende levensgevoel, dat binnen het niveau zelf van de wereld als geheel van interfererende causaliteiten en van de geschiedenis als veld van menselijke beslissing er geen gapingen zijn. Wanneer men de werkelijkheid onder dit opzicht doorlicht, zal men nergens opheffing of aanvulling van natuurwetten of van de motiveringen der menselijke psyche gewaar worden. God treedt nooit binnen het vlak van de categoriale oorzakelijkheden, de verschillende vormen, waarin de schepselen op elkaar inwerken; omgekeerd, wanneer men de werkelijldieid beziet vanuit de gezichtshoek van de moderne empirische wetenschappen, is zij steeds gevuld (al weten wij niet altijd hoe). Dat betekent niet het deïsme van een „rustende God", noch behoeft het op zich de God, die incarnatie (vleeswording) en inhabitatie (inwoning) zoekt, uit te sluiten (al zal het wel een nauwgezetter omgaan vragen met deze termen dan men vaak gewend is). Het mirakel wekt verwondering, niet omdat hier vanuit een leemte in de schepseloorzakelijkheden zou gegrepen worden naar een zg. 'directe' inwerking Gods maar omdat diepere lagen binnen de schepselorde er in naar voren treden. De geloofs- en gebedsomgang met God opent mogelijkheden, die vanuit een beperkter visie verbazingwekkend zijn. Barrières, die voor de natuurlijke mens onoverkomelijk schijnen, vervluchtigen. De krachten van het Godsrijk worden zichtbaar; de samenhang van de geschiedenis van het heil verschijnt. Daarin wordt de presentie van de Heer van dit Rijk op pregnante wijze zichtbaar. In een dergelijke visie worden de overgangen van het mirakel naar de providentiële feiten enerzijds en naar het ondergaan van het geheel der werkelijkheid als mysterie anderzijds veel meer vloeiend. Maar de christen zal dan daarbij niet — op de wijze van de religieus humanist — alles willen brengen op de ene noemer van het grondmysterie, dat zich in een mystiek beleven als het eigenlijke en enige wonder zou openbaren. Veeleer vormt voor hem het komen van het Rijk het omvattende, dat de andere categorieën in zich sluit. In een louter rusten in het zijnsmysterie bespeurt hij te weinig meer van de vrijmacht van de souvereine God, die in tekenen zijn volk wil bezoeken. Bovendien gaat hem dan alles te spiritueel en te personalistisch toe; te weinig ook rekening houdend met de weerbarstigheid en de zondigheid van de concrete mens, die juist daarom het mirakel — als gericht „tegen de zonde" — nodig heeft. Van uit diezelfde visie zal er minder behoefte bestaan om het mirakel scherp af te grenzen tegenover diepte-verschijnselen op het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's