Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 271

2 minuten leestijd

GELOOFWAARDIGHEID VAN HET WONDER

221

doorbraak van het Godsrijk (rondom en vanuit de persoon van Jesus) heeft de wereld tot haar scopus: opdat zij op onvermoede wijze tot zichzelf gebracht worde. De concrete bijbelse wonderverhalen — een volgende bemerking — zouden van hieruit moeten worden doorlicht. Het gaat er dan niet om krampachtig het mirakel te behouden in de zin van het principieel natuurlijk onverklaarbare; anderzijds ook niet om (door het elimineren van het wonder) te voldoen aan een bourgois-kijk op de werkelijkheid. In het algemeen zou men de historische critiek op de bijbelverhalen rustig haar werk moeten laten doen als bij elk ander historisch document. Hun geïnspireerd karakter duidt immers niet op een zone, waarin zij in hun bovennatuurlijkheid in dezen een aparte positie zouden innemen, zodat zij zich op enigerlei wijze aan de historische kritiek zouden onttrekken. Een geloof, dat niet tot angstige kleingelovigheid wordt, treedt hierbij — zolang geen aprioristische stellingnamen in het licht treden — niet inhoudelijk tussen beide, terwijl het tegelijk in vertrouwen zich verzekerd weet, dat het eigenlijke stand zal houden. Om het met een luthers theoloog te formuleren: „Dat dit weten (het weten omtrent Gods openbaring in de geschiedenis)) veranderingen ondergaat doordat de geschiedvorsing verandert, behoeft het geloof niet te schokken, zolang het telkens weer in het nieuw-ontstane beeld der geschiedkundige feiten het gebeuren, dat haar fundeert, vermag te herkennen en zichzelf erin kan voltrekken. Deze vergaande onafhankelijkheid van het geloof ten overstaan van de afzonderlijke gestalten, die het geschiedkundig weten (waaraan het ontsprong) vertoont, berust daarop, dat het geloof in een vertrouwensakt telkens weer zijn eigen beeld van het gebeuren te boven komt en in het gebeuren zelf zijn houvast zoekt door zich te verlaten op de daarin zich openbarende God" i). Geheel het accent komt in deze visie tenslotte — zo luidt de laatste bemerking — te liggen op het zinverband, waarin het wonder als een verwijzend teken verschijnt. Men kan bespeuren, hoe de nieuwere r.k. theologie — misschien niet consequent genoeg — naar deze richting toewerkt. Zij tracht zich te ontdoen van het kader der middeleeuwse concepties, die het accent zo sterk naar de causaliteit (naar de werkoorzakelijkheid) verlegden. Zij beklemtoont opnieuw het tekenkarakter van het wonder en verstaat het mirakel weer sterker 1) W. Pannenberg, in: Ojfenharung als Geschichte. 1961, p. 101 v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's

1963 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 271

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 322 Pagina's