1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 115
WETEN, DENKEN EN GELOVEN T.A.V. EVOLUTIE
87
discussie hierover in R.K.-kring laat zien hoe ook dit laatste constructie-rudiment wordt aangetast 1. Al zijn velen in christelijke kring nog niet bereid de radicale conclusie van het fiasco dezer constructie-methode te trekken, het ligt alleszins in de verwachting dat in de toekomst het inzicht algemeen zal worden dat dit incidentele scheppingsbegrip niet alleen onhoudbaar is, maar zelfs onvoldoende het geloof in Gods almacht tot uitdrukking brengt. Wij zullen ons in toenemende mate gaan realiseren dat het gehele wordingsgebeuren, van de alleroudste tijden af, de samenhangende en ondeelbare manifestatie is van Gods scheppend bezig zijn met deze wereld. ledere gedachte aan de noodzaak voor incidentele ingrepen doet dan merkwaardigerwijze evenveel te kort aan het geloof in Gods scheppende almacht, als de gedachte van de noodzaak van incidentele autonome evoluties in de vroegere scheppings-theologieën. Waar het mijn opdracht is zo veel als mogelijk ook de ontwikkeling van ons denken omtrent het ontstaans-vraagstuk in de toekomst af te tasten, moet nog een zeer belangrijk punt in deze beschouwingen mede betrokken worden. In onze kringen wint de nieuwe benadering t.a.v. Genesis 1 duidelijk veld. Met betrekking tot het Paradijs-verhaal staan wij tegenover nieuwere beschouwingen nog veelal zeer huiverig, zoals ook bleek uit reacties n.a.v. de in 1963 voor deze vereniging gehouden voordracht van Dr Kuitert 2. Een juiste positiekeuze t.o.v. deze kwestie is echter zeer noodzakelijk gezien de belangrijke consequenties hiervan m.b.t. de vragen van het ontstaan van de mens, de eerste mens, de „staat der rechtheid", de zondeval, enz. Wij zullen ons nu, en in de naaste toekomst zeker in steeds sterkere mate, moeten afvragen of dat deel van de klassieke voorstellingsvvdjze, waarbij het Paradijs gedateerd, gelocaliseerd en geïndividualiseerd wordt gedacht, wel houdbaar is. Naar mijn mening ligt hier een probleem waaraan in onze kring hoog nodig zowel van naturu-wetenschappelijke als van theologische zijde speciale aandacht dient te worden gewijd. De volgende beknopte en met opzet hier en daar 1 Zie bv. A. G. M. v. Melsen, Evolutie en Wijsbegeerte, Utrecht, 1964; K. Rahner, Die Hominisation als theologische Frage, in P. Overhage und K. Rahner, Das Problem der Hominisation, Freiburg, 1961. 2 H. M. Kuitert, De goede schepping, Geloof en Wetenschap, 61, 109— 135, 1963.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's